Flink snijden in de kunsten kan prima

Er wordt hard geklaagd over de kunstbezuinigingen. Maar alleen in Scandinavië zijn meer kunstenaars.

Wel vreemd dat de regering niet ook het grote aantal kunstopleidingen aanpakt.

Ze bestaan, kunstenaars die geen rijkssubsidie hoeven. Zoals Royalsteez. Als beginnend kunstenaar bedacht hij zich in 2008 geen moment toen Damien Hirst zijn diamanten schedel in het Rijksmuseum exposeerde. Royalsteez (zijn artiestennaam) stapte binnen bij een snoepwinkel in Amsterdam. „Ik ga een schedel bedekken met jullie snoepjes”, zei hij. „Jullie zetten die in de etalage en zo surfen we mee op de hype.”

Zijn werk is weleens kinderachtig genoemd, maar aandacht trekken kan Royalsteez en dat levert opdrachtgevers op. For the Love of Candy werd opgemerkt door een Duitse brillenfabrikant die met de snoepschedel een marketingactie begon. „Als kunstenaar zoek je toch een podium. Daarom ben ik niet per se tegen bezuinigen op kunstsubsidies. Dan wordt er straks meer gemaakt waarin anderen ook wat zien.”

Royalsteez is dan ook minder verontwaardigd over de aanstaande bezuinigingen dan veel van zijn collega’s. Staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) wil vanaf 2013 op de cultuurbegroting van ruim 900 miljoen euro jaarlijks 200 miljoen euro bezuinigen. In de kunstwereld overheerst woede – al weken vallen grote woorden: kaalslag, verschraling, terreur, vandalisme, nekschot. Alsof Nederland wordt geplunderd door cultuurbarbaren.

Staart de Nederlandse kunstwereld na de ingrepen van Zijlstra de dood in de ogen? Dat valt waarschijnlijk wel mee. De staatssecretaris, ook verantwoordelijk voor onderwijs, laat de vele kunstopleidingen voorlopig ongemoeid. Bovendien zijn er eigenlijk best veel Nederlanders met creatieve beroepen: 108.000 volgens de statistieken van Eurostat. Daarmee staan we in de Europese Unie op de vijfde plaats na grote landen als Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië. Als percentage van de beroepsbevolking neemt Nederland met 1,3 procent ook de vijfde plaats in na IJsland, Finland, Zweden en Noorwegen.

En de aanwas groeit: het hbo leverde vorig jaar 2.750 beeldende en uitvoerende kunstenaars af, bijna drie keer zoveel als twintig jaar geleden. En het mbo, dat ongeveer tien jaar geleden begon met kunstopleidingen (niet te verwarren met de kunstvakopleidingen van het hbo), leidde in 2010 ruim 7.000 studenten op tot artiest, vormgever of „medewerker ruimtelijke presentatie”, oftewel: lakei bij de Efteling.

Nederland is, kortom, een kunstenaarsfabriek. „Laat duizend bloemen bloeien. Dat is al jaren de overheersende gedachte in de cultuursector”, zegt Jaap Jong, oud-directeur van brancheverenigingen voor Theatergezelschappen en Symfonie-orkesten. „Dat veel bloemen heel snel weer verwelken interesseert niemand, nee, het gaat erom dat ze opkomen. Daardoor hebben we een overaanbod aan kunst en kunstenaars.”

Pim van Klink, gasthoogleraar kunsteconomie aan de Universiteit van Antwerpen, is minstens zo kritisch. „Theater- en dansopleidingen worden gefinancierd op basis van het aantal studenten die ze afleveren, terwijl er weinig werk is”, zegt hij. „Zo van: iedereen vindt het leuk, dus gaan we het aanbieden.” Jong: „Het mag best wat minder, want het bederft de markt.”

Het is een impopulaire boodschap, die Jong meer dan twintig jaar verkondigde als branchevertegenwoordiger. Dat werd hem niet in dank afgenomen, het droeg zelfs bij aan zijn vertrek uit de kunstsector. Nu is Jong gepensioneerd maar staat hij er nog met één been in, als zelfstandig adviseur. Hij deed onder meer door Brussel gefinancierd onderzoek naar de culturele sector in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie.

Volgens Jong is in de kunstenaarsfabriek weinig ruimte voor zelfkritiek. En dat is niet zo raar. De nieuwe mbo-opleidingen werden tien jaar geleden opgezet vanuit de overvloed aan werkloze hbo’ers, conservatoriummuzikanten en toneelschoolacteurs die best wel wat kunnen, maar het talent ontberen om ook echt succesvol te worden. Zij vonden zekerheid als docenten in dat mbo en zullen er dus ook niet snel over klagen. In eigen vijver plassen doe je niet.

En zo zal ook een artistiek leider van een toneelgezelschap in het openbaar weinig zeggen over het niveau van opleidingen, helemaal niet als hij zelf lesgeeft op een toneelschool. Toen de grote theatermaker Ivo van Hove het grote zwijgen doorbrak – hij zei in 2006 „dat de uitstroom van scholen te groot is in vergelijking tot het aanwezige talent” – kreeg hij een stortvloed aan kritiek over zich heen. Maar ja, Van Hove is een Vlaming.

Jong noemt de huidige gang van de zaken, waar de ene kansloze kunstenaar de andere opleidt, „één grote raddraaierij”. Zo bezien zijn de stevige bezuinigingen die staatssecretaris Zijlstra wil doorvoeren zo slecht nog niet, zegt hij. Hopelijk denken ouders tweemaal na voordat ze hun kinderen naar zulke opleidingen sturen. „Dat ze zeggen: daar wordt zó bezuinigd, doe dat maar niet.”

Goed nieuws dus, die stevige bezuinigingen. Of toch niet? Zowel Jong als Van Klink vindt dat je best 200 miljoen euro aan bezuinigen kunt vinden, maar hekelen de wijze waarop Zijlstra dit doet. Ze spreken over gemiste kansen en symptoombestrijding. Van Klink: „Zijlstra gebruikt de crisis niet als kans om het systeem te reinigen, maar puur als middel om het budget te drukken.” Jong: „Dieperliggende problemen in de kunsten worden niet opgelost.”

Zij vinden het raar dat Zijlstra wel de subsidiekraan dichtdraait en de kunstwereld zo kleiner maakt, maar – voorlopig in ieder geval – niets doet aan het grote aanbod aan kunstopleidingen. Een recept voor scheefgroei, voor toekomstige sociale drama’s, want straks worden relatief nóg meer studenten opgeleid voor werkloosheid of een baan die niet bij hun studie past.

Royalsteez is ook kritisch. De kunstenaar mist stimulering van het ondernemerschap. En dat het jeugdtheater zo hard wordt getroffen (40 procent bezuinigingen) vindt hij onbegrijpelijk. Kinderen hebben er baat bij om op het podium te staan, vindt Royalsteez. „Dat kan je ook niet commercieel rendabel maken, dus subsidie is nodig om te voorkomen dat toneellessen te duur worden.”

Minachting, desinteresse. Het zijn woorden die veel vallen om de houding van de regering te beschrijven – en volgens Jong zit er wel een kern van waarheid in. Vergeleken met andere Europese beleidmakers leggen de Nederlandse weinig hartstocht aan de dag voor de kunsten. Maar paradoxaal genoeg heeft de kunstwereld dat aan zichzelf te wijten.

In Nederland – en binnen Europa is dat redelijk uniek – is de politiek alleen geldschieter van de kunsten, met de inhoudelijke koers van het beleid bemoeit zij zich niet. Die ‘scheiding der machten’ is na de oorlog zwaar bevochten, maar keert zich nu tegen kunstenaars. „Wie zich niet met de inhoud mag bemoeien, verliest al snel z’n belangstelling”, zegt Jong.

In Duitsland wordt het kunstbeleid uitgestippeld door ‘intendanten’, een soort lokale cultuurpausen die nauw samenwerken met plaatselijke wethouders, sterker nog: door hen worden benoemd. Door die nauwe relatie wordt minder snel bezuinigd op cultuur en ook niet getwijfeld aan het belang van cultuur.

In Nederland is de Raad van Cultuur belast met de artistieke keuzes, maar gaat zij niet – en dat is best lastig – over het geld, anders dan bijvoorbeeld de Britse Art Council. Die keert subsidie uit aan kunstinstellingen die de beoordelaars overtuigen van de artistieke, maar ook van de economische en educatieve waarde van hun plannen. Alles in één hand. Het resultaat: per hoofd van de bevolking wordt er in Groot-Brittannië aanzienlijk minder subsidie gegeven, terwijl de bezoekersaantallen er in verhouding veel groter zijn. En de kwaliteit veelal hoog is.

Ons kunstbeleid komt veel democratischer tot stand: naast de Raad van Cultuur buigt een hele trits adviesorganen zich over kunstprojecten, met een lang en ondoorzichtig besluitvormingsproces tot gevolg. Die ‘kunstbureaucratie’ pakt staatssecretaris Zijlstra niet aan. De vraag is natuurlijk altijd wie bepaalt wat artistiek relevant is. Maar in Nederland heeft de angst voor het antwoord op die vraag het kunstbeleid gekaapt, ja verlamd.

Zijlstra doet dus een heleboel niet, maar ook over de zaken die hij wel aanpakt – de kunstsubsidies – zijn Jong en Van Klink niet te spreken. Van Klink vindt het „lachwekkend”, dat de staatssecretaris kunstinstellingen en gezelschappen die niet worden opgeheven voor 80 procent blijft financieren. „Ze hoeven voor maximaal 21,5 procent eigen inkomsten te zorgen”, zegt hij. „De instellingen na de ‘shake out’ zijn dus evenmin op de wensen van het publiek gericht als nu.”

Sterker: ondernemingszin is een recept voor minder subsidie. „Zijlstra bestraft succes”, zegt Van Klink. „Theatergezelschap Orkater zorgt voor veel eigen inkomsten, speelt overal, maar is niet zeker van zijn voortbestaan.” Voor Oerol geldt hetzelfde. Het succesvolle theaterfestival zorgt voor 70 procent eigen inkomsten, maar moet straks net als Orkater strijden met andere gegadigden om een bijdrage uit het Fonds Podiumkunsten. Van Klink: „Subsidie wordt in Nederland als de basis gezien, maar het moet natuurlijk andersom.” Subsidie zou de kers op de taart moeten zijn.

Vandaag meer over kunst op Zin, pagina 18 en 19: over het filosofisch nut van kunst, en op Uit, pagina 28 en 29: theaterschoolfestival ITs