Eerst even op audiëntie bij de schrijver in New York

Morgen begint in Amsterdam het theaterschoolfestival ITs.

De voorstelling Hollanders gaat over getraumatiseerde soldaten en thuisblijvers.

Halverwege het toneelstuk De Hollanders plast Thomas, Nederlands militair in Afghanistan, in de handen van Thijs, zandhaas in dezelfde hysterische hel.

Arnon Grunberg schreef het stuk. Gerardjan Rijnders regisseert het. Acht studenten van de Amsterdamse toneelschool spelen het.

De Hollanders opent volgende week het ITs festival. Showcase voor net afgestudeerd podiumtalent, goed voor een internationaal publiek en in Europa het grootste in zijn soort.

En? Wordt er geplast?

„Ja, dat hoop ik wel”, zegt Grunberg (1971).

„Arnon wil dat het echt is. Maar ik denk het niet”, zegt regisseur Rijn ders (1949). „Het leidt alleen maar af.” Afstuderend acteur Thijs Prein (1986), ‘Thijs’ in het stuk, grijnst: „We doen het en iedereen zal erin geloven. Zelfs Arnon. Dan zeg ik achteraf tegen hem: het was nep, makker.”

Grunberg voegde nog toe: „Ik zou het minder confronterend vinden om op het toneel in iemands handen te plassen dan volledig naakt een lied te moeten zingen.” Die scène schreef hij ook, het is het slot van De Hollanders. „Van oudsher zijn krijgers naakt”, legt hij uit. „De mannen zijn sekssymbolen, zij zijn meer lustopwekkend dan de vrouwen.”

Rijnders, regisseur en schrijver van legendarische voorstellingen en de ‘vader’ van Toneelgroep Amsterdam, zegt: „De Hollanders is een tragedie. Met een heel raar einde: blote mannen die een liedje zingen en een dansje doen. Ik ben benieuwd hoe het gaat werken: extra wanhopig of als een, door mij niet gewenste, relativering van het voorafgaande.” Dit stuk, vervolgt hij, gaat over getraumatiseerde mensen, de soldaten net zo goed als hun thuisfront. „Iedereen is op zoek naar gevoel, want niemand voelt nog iets.” De teruggekeerde jongens, hun moeder, vader, vriendin, ze gaan beschamend ver in hun pogingen om aangeraakt te worden, letterlijk en figuurlijk. Tevergeefs. „De jongens proberen het door met elkaar te zoenen. Een vrouw is toch lekkerder, is de conclusie.”

Teksten als mitrailleurvuur

Vier weken geleden. Een studio in de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten. Rijnders en de studenten hebben een week gerepeteerd. De acteurs spelen hun rollen met de tekstboeken in de hand. Af en toe spieken ze. Arnon Grunberg is er voor het eerst bij.

De acteurs hebben het soms moeilijk. De tekst vraagt om exacte accenten want Grunberg schreef hem als mitrailleurvuur – ritmisch, muzikaal. Veel herhalingen, steeds net een beetje anders. Mooi voor het publiek, moeilijk voor de acteurs.

Na afloop, in het café om de hoek, toont hij zich ingenomen met wat hij zag. „Eén ding viel me op. Ik moet me er niet mee bemoeien, maar de jongens houden hun wapen niet vast of ze weten wat ze vasthouden. Voor een echte militair is zijn wapen iets waar hij een verhouding mee heeft. Zijn greep is intiem. Ja, ik heb er ook wel eens een vastgehouden. Ik vond het niet lekker, nee, het is eng.”

We hebben het over „de klotezin” – zo schold een actrice op de regel waar ze steeds weer over struikelt. Hij luidt: ‘Soms zegt hij wel nog iets liefs’, en wordt uitgesproken door een moeder over de zoon die haar consequent met ‘hoer’ aanspreekt. Grunberg: „Als ik iemand zo hoor worstelen wil ik meteen dingen veranderen. Want ik denk toch: ligt dat aan mij? ‘Soms zegt hij wél nog iets liefs.’ Niks aan, zou je zeggen, maar kennelijk is dat moeilijk.”

Hij zal de zin niet herschrijven. „Herhaling kan onthullen, en het kan ook iets verbergen. Dit is hoe mensen praten. Ze kunnen iets niet zeggen en daarom cirkelen ze er omheen.”

‘Heb ik hiervoor toneelschool gedaan?’

Anderhalve week later komt de zin er prachtig uit. Myrthe Burger speelt als een verlamde leeuwin de moeder, die hulp zoekt bij een afstandelijke huisarts.

Rijnders regisseert het stuk op uitnodiging van de studenten. „Thijs belde me. Ze hadden Grunberg een brief geschreven en een stuk gevraagd. Een antwoord was er nog niet, maar of ik ze wilde regisseren. Ik vond het al prachtig dat ze hem hadden gevraagd. Had ik in hun plaats niet gedurfd.”

Die brief was in drift verstuurd, in oktober, toen de acht acteurs een heftige discussieavond over de kunstbezuinigingen hadden bijgewoond. „We kwamen woedend naar buiten”, herinnert Thijs Prein zich. „We waren nog niet eens van school af en onze droom om acteur te worden werd al kapotgemaakt. Die avond nog besloten we om Arnon Grunberg een stuk te vragen voor onze examenvoorstelling. En Gerardjan Rijnders moest regisseren, of een andere grootheid.”

Grunberg ging er op in. „We willen acteur worden en daar hebben we alles voor over, zeiden ze. Ik zei: goed. Ik schrijf een stuk. Ik ben 40, jullie zijn een kleine 20 jaar jonger, ik ben benieuwd naar jullie generatie. Het moet voor mij ook leuk zijn, dus ik doe het op voorwaarde dat ik met jullie allemaal apart een uur kan praten. In New York.” Thijs: „We konden zo’n reis eigenlijk niet betalen. Maar we deden het.”

Grunberg genoot van de gesprekken: „Niels hield niet op met praten, dat ging maar door, een hele streekroman. Imke was kort van stof, Myrthe lang. Eva is een femme fatale in opleiding. En Thomas is een zoeker. Hij fascineerde me het meest. Hij zat er aanvankelijk bij met een houding van: kom maar op, lul. Zo ben ik altijd, zei hij later. Ik had ze allemaal om een foto gevraagd. Hij stuurde er een met de knoopjes van zijn overhemd open tot op zijn navel. Nhung wilde niet alles vertellen. Haar ouders zijn Vietnamese bootvluchtelingen. Die spreken geen Nederlands en zij studeert nu af aan de toneelschool. Over assimilatie en integratie gesproken. D’r zit zo’n kracht in die vrouw.”

Grunberg maakte voor zijn stuk gebruik van uitspraken van de studenten. Hun rollen kregen hun namen. „Sommigen laat ik hun eigen ouders spelen.”

Nhung Dam speelt de Afghaanse vrouw wier onverstaanbare jammerklacht twee machteloze soldaten zo opbreekt dat ze haar te grazen nemen. Ze zegt: „Ik las het en ik dacht: heb ik hiervoor toneelschool gedaan? Om de onverstaanbare allochtoon neer te zetten?” Grunberg: „Ze mailde me: ik vind het moeilijk dat ik in een boerka moet. Dat begrijp ik. Je kunt zeggen, moet zij nou uitgerekend die rol spelen. Maar ik vind dat Vietnamees van haar zo mooi.”

Nhung Dam spreekt nu een proloog uit, een tekst van Rijnders.

Pluchen olifantje

Vorige week. Er wordt heftig gerepeteerd. Grunberg is opnieuw op bezoek. Hij glijdt naar de punt van zijn stoel en mimet soms zinnen mee. Hij geniet van de scène waarin een doorgedraaide veteraan een roze pluchen olifantje op de barbecue smijt, met de foto’s van zijn verloofde. „Zulke verhalen heb ik in Afghanistan gehoord: hoe vriendinnen werden gestraft voor vermeend overspel. Die jongens zijn zichzelf niet meer. ‘Afghanistan was de wip van mijn leven en toen ik thuiskwam had ik aids’, zo vatte er een het samen. Die zin zit in het stuk, die kon ik niet laten liggen.”

Hoe gaat het? vraag ik aan Gerardjan Rijnders. „Nou, het komt d’ran,” antwoordt hij. „Ik regisseer als altijd, maar die studenten drukken me op de essentie van mijn vak. Ervaren acteurs die alles al weten, doen gewoon wat ik bedoel. Hier denk ik soms, waarom is het nou nog niet goed?”

Later vertelt Thijs hoeveel Rijnders betekent, voor hem, voor de anderen, voor De Hollanders. „Hij kijkt en zegt niet veel. Maar hij ziet wel veel.”

Op het podium zit Niels, de versteende vader van een gesneuvelde soldaat. Hij heeft knijpers op zijn tepels laten zetten door een prostituee. Op de bank kijken de maten van zijn zoon gegeneerd toe. Hij vraagt:

„Had Dennis het wel eens over mij?

Zei die wel eens

Mijn pa heet Niels?”

De zin doet zeer.