De filmliefde van fameuze Franse criticus Serge Daney was 'gezonde ziekte'

De Franse filmcriticus Serge Daney gold lang als een geheimtip. De belangrijkste beschouwingen van de strenge moralist zijn nu vertaald.

Jean-Luc Godard noemde hem de ‘laatste filmcriticus’ en ruimde een deel van zijn reeks Histoire(s) du cinéma in voor een gesprek met Serge Daney. Als hoofdredacteur van Cahiers du cinéma redde Daney (1944-1992) het tijdschrift van een wisse dood – door na een overdaad aan marxistisch en structuralistisch jargon terug te keren naar waar het ooit allemaal mee begon: liefde voor film. Eind jaren tachtig stapte hij over naar dagblad Libération om daar met het oog van de filmcriticus televisiekritiek te gaan bedrijven; zijn analyses van het beeldbombardement tijdens de eerste Amerikaanse oorlog tegen Irak werden beroemd. Zijn vroege dood (aan aids) zal ook iets hebben bijgedragen aan de legendevorming, alsmede het versnipperde karakter van zijn werk – Daney schreef nooit een écht boek. Dat er zo weinig van hem is vertaald – ook niet in het Engels – zal hebben bijgedragen aan zijn aura als geheimtip buiten Frankrijk.

Hulde dus aan de piepkleine uitgeverij Octavo, die het heeft aangedurfd om meteen twee boeken met teksten van en over Daney uit te brengen. De aanpak is origineel: in plaats van alleen een bloemlezing te maken uit zijn werk zijn in Een ruimte om in te bewegen ook teksten te vinden van auteurs die grote invloed op Daney hadden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de kritiek van Jacques Rivette op de concentratiekampfilm Kapo, waarin de latere regisseur zijn beroemde stelling ontvouwt dat het standpunt en de beweging van de camera voor de filmmaker „een kwestie van moraal” zijn. Daney las dat als 16-jarige en is zijn leven lang trouw gebleven aan dat adagium. Ook teksten van intellectuele wapenbroeders als de filosoof Gilles Deleuze en Godard zijn in het boek te vinden.

Meer een curiosum is het tweede boek, Volharden: de uitwerking van een lang interview dat Serge Toubiana hield met zijn voormalige kompaan bij Cahiers du cinéma, toen zijn vriend al zwaar ziek was. Dit boek, waarin Daney terugblikt op zijn leven, is een interessante voetnoot bij zijn kritische oeuvre; alleen is dat oeuvre voor Nederlandse lezers nog grotendeels onontgonnen gebied. Dan had het toch de voorkeur verdiend om meer artikelen van Daney zelf te vertalen. Nu bekruipt de lezer soms het gevoel stiekem mee te luisteren met een esoterisch (en érg Frans) gesprek tussen twee heren, dat niet voor zijn oren is bedoeld.

Nadeel van de enorme vertraging die de teksten van Daney hebben opgelopen onderweg naar Nederland, is dat ze onherroepelijk historisch zijn geworden en minder vruchtbaar zijn voor actuele debatten. „Film is de kunst van het hier en nu”, orakelt Daney. „Alles wat niet op tijd gezien wordt, zal ook nooit meer werkelijk gezien worden.” Dat geldt tot op zekere hoogte ook voor deze vertalingen.

Daney vertegenwoordigt een boeiend historisch moment, dat wel: het moment waarop een bepaald type filmbeschouwing, waarvan hij een van de belangrijkste vertegenwoordigers was, zich pijnlijk bewust werd van de eigen eindigheid. Dat leidde tot een discours over de ‘dood van de cinema’. Nogal overdreven allemaal, maar het geldt misschien wél voor een specifieke denkwijze over film: een sterk op belangeloze contemplatie van de vorm en op een bepaald type auteurscinema gerichte manier van kijken, die vanaf de jaren tachtig in de verdrukking kwam. De films van de jaren tachtig (zijn glorietijd als criticus) duidde Daney – niet positief – als ‘nieuwe Barok’: beelden die alleen verwijzen naar andere beelden en van hernieuwde toenadering tussen film en theater: „De mensen overkomt niets meer. Alles overkomt de beelden – de Beelden.”

Daney was zich sterk bewust van het ‘neurotische’ karakter van zijn eigen filmliefde, die hij in verband bracht met zijn symbiotische verhouding met zijn moeder, en zijn zoektocht naar zijn vader, die hij nooit heeft gekend. Hij typeert zijn passie voor film als een ziekte, zij het een ‘gezonde ziekte’. Zijn werk is te beschouwen als het melancholieke slotakkoord van de lange en rijke geschiedenis van Cahiers du cinéma, als toonaangevend intellectueel en artistiek forum. Zijn overstap naar de krant, en naar de analyse van televisiebeelden, heeft een zekere symbolische lading. Zijn strikte onderscheid tussen de alledaagse beeldenstroom van televisie (‘visueel materiaal’) en het bijna mystieke ‘beeld’, dat hij vereerde, heeft vooral normatieve (en geen analytische) betekenis. Daney was altijd op zoek naar morele en artistieke zuiverheid, maar die categorieën hebben in de tijd van internet en multimedia aan relevantie ingeboet. Daney’s onbedwingbare hang naar puurheid dwingt zeker respect af, maar heeft als groot nadeel dat die meer uitsluit dan ontsluit.