Tjalies woede

‘In Holland kan ik niet aarden, maar ik kan er wel leven. In Indonesië aard ik, maar vergunnen velen mij niet te leven, tenzij ik mijn witte kant verloochen. Hoe is dat mogelijk!”

Wanhopige woorden van de Indo-schrijver Tjalie Robinson, pseudoniem van Jan Boon (1911-1974). Onlangs kwamen twee nieuwe verzamelingen (Kind van Batavia; Een land met gesloten deuren) van niet eerder gebundeld werk van hem uit, in deze krant gunstig besproken door Elsbeth Etty.

Ik ben vanaf de jaren zeventig een groot liefhebber van zijn boeken geweest. Hij had een kloeke, beeldende stijl, verwant aan Hemingway, van wie hij een bewonderaar was. Onder de naam Vincent Mahieu schreef hij literaire fictie (Tjies; Tjoek), als Tjalie Robinson was hij journalist-chroniqueur.

In 1992 sprak ik voor deze krant uitvoerig met zijn weduwe, Lillian Ducelle, die indrukwekkend over hem kon vertellen. „Misschien ben ik geen goed mens, maar ik ben wel een goed schrijver”, zei hij eens tegen haar. En hij voegde eraan toe: „Goeie echtgenoten zitten overal, goeie vaders ook, maar goeie schrijvers zijn er maar weinig.” Zijn grote tragiek, vertelde ze me, was dat zijn (Indische) achterban hem alleen als Tjalie Robinson waardeerde, niet als de fictieschrijver Mahieu.

Als schrijver verdween Robinson na zijn dood geleidelijk uit het zicht. Bij de recente presentatie van zijn twee voornoemde verzamelbundels sprak zijn biograaf Wim Willems de hoop uit dat Robinson nog eens tot onze literaire canon zou gaan horen. De kans daarop lijkt mij klein. Zijn beste werk heeft te weinig bedding gevonden in de Nederlandse samenleving.

Kort na die presentatie zocht ik in Amsterdam Nieuw-West de twee flats op waar hij met zijn gezin na hun overkomst uit Indonesië in de jaren vijftig heeft gewoond: de Hugo Verriesthof 4hs en later de Karel van de Woestijnestraat 1/1. Met enkele duizenden Indisch-Nederlandse gezinnen woonde hij daar in Slotermeer. Er woont nu alleen nog een kleine groep Indisch-Nederlandse senioren. Vooral Marokkanen en Turken zijn ervoor in de plaats gekomen.

Robinson miste er Indonesië smartelijk. „Er is voor mij niet veel te zien aan Slotermeer”, schreef hij in een boekje dat hij Piekeren in Nederland noemde. Later vertrok hij naar Den Haag, waar hij de held werd van de Indische gemeenschap.

Een poosje geleden las ik zijn in 2009 uitgekomen brieven: Schrijven met je vuisten. Het boek gaf me een schok, ik voelde opeens weerzin tegen hem opkomen. In deze spontaan geschreven brieven zie je, scherper dan in de biografie, een donkerder kant van hem: de cultuurpessimistische kankerpit die zijn weltschmerz eindeloos afreageert op het Westen in het algemeen en Nederland in het bijzonder; de macho-vechtersbaas die altijd maar weer met iedereen op de vuist wil; en ten slotte zelfs de onversneden antisemiet.

„Het is goed om spierpijn te hebben”, schreef hij. „Van werk. Niet van sport. Daarom stort het ras van de joden zo vaak in. Ze zijn meesters op het gebied van vermijding en bedrog. (…) Die godvergeten idioten kunnen niets, ze moeten alles kopen. Nou, laat ze hun gang maar gaan! Maar weet je, ze installeren zich altijd als parasieten op andere mensen en eten ze langzaam op. Het punt is niet dat Amerika week wordt, maar dat het op joodse wijze week wordt, en dat is slecht.”

Dat schreef hij in 1966 in een brief aan zijn zoon. Zijn woede was waanzin geworden.