Pijn van gelovigen versus pijn van dierenvrienden

In de discussie over ritueel slachten spelen emoties de hoofdrol. Volgens advocaat Herman Loonstein wekt het mogelijke verbod op ritueel slachten de indruk dat we joden uit Nederland willen wegjagen. Het zou associaties oproepen met de jodenvervolging.

Als een groep mensen iets ‘voelt’, lijkt dat vandaag de dag nogal wat invloed te hebben. Wat dieren voelen, doet niet ter zake. Hoe zit het dan met mensen die van dieren houden? Die hebben toch ook gevoel? Naar schatting 1 miljoen Nederlanders trekken zich het leed van dieren aan. Dit is het aantal leden van alle dierenbeschermingsorganisaties. Velen van hen lijden, doordat ze besef hebben van dierenleed. Ze voelen zich prisoners of compassion. Dit heeft Charlotte Mutsaers treffend beschreven in Koetsier Herfst: „Dat waarachtig medelijden, medelijden dat je hart doorklieft, je domweg overkomt. Zoals alles wat ons werkelijk raakt. Omdat het geen keuze is maar een overval. En na die overval beland je in de gevangenis.” Is dit lijden minder waard, omdat deze mensen niet aantoonbaar een god of allah achter zich hebben? Is dit voor joden en moslims dan wel aantoonbaar?

Het dilemma is niet godsdienst versus dierenwelzijn. Het betreft de pijn van dierenvrienden tegenover de pijn van joden en moslims. Als God dood is, is de ene pijn niet ‘erger’ dan de andere. De één neemt aanstoot aan naaktlopen in het openbaar. Daarom mag dat niet. Zelf heb ik daar niets tegen. Je doet hiermee geen vlieg kwaad.

Als dierenvriend neem ik wél aanstoot aan de behandeling van dieren in ons ‘beschaafde’ land bij het ritueel slachten – en natuurlijk ook bij onze eigen, oer-Hollandse vee-industrie. Totdat keihard het bestaan is aangetoond van een God die dit voorschrijft en die het beste met ons allen voor heeft, zie ik niet in waarom de gevoelens van gelovigen zwaarder zouden wegen dan die van dierenliefhebbers – om nog maar te zwijgen van de dieren.

Roos Vonk

Hoogleraar sociale psychologie Radboud Universiteit Nijmegen