Ontpolderen is goed voor de natuur

Diersoorten waarvoor extra maatregelen in de Westerschelde nodig zijn

Meer dan een snipper natuur is de Hedwigepolder eigenlijk niet, met z’n krap 300 hectare, als je die afzet tegen het totaal van 42.753 hectare die het Europees beschermde natuurgebied Westerschelde en Saeftinghe groot is. Het is dan ook lastig te zeggen hoeveel soorten planten en dieren erbij zouden komen als de landbouwpolder op de grens met Vlaanderen onder water zou staan. Wel zou er met de ontpoldering één langgerekt natuurgebied van schorren ontstaan, van de Vlaamse Prosperpolder via de Hedwigepolder naar het Verdronken Land van Saeftinghe. Dat is gunstig. Er is een ecologische wet die zegt: hoe groter een natuurgebied, des te groter de aantallen plant- en diersoorten. Nederland heeft de Westerschelde bij de Europese Unie aangemeld als Natura 2000-gebied omdat het nog de enige rivier in de delta is met een open verbinding naar zee en daarbij horende karakteristieke natuur: een mozaïek van diepe en ondiepe wateren, bij eb droogvallende zand- en slikplaten en begroeide platen die alleen bij hoog water overstromen, schorren genaamd. Dat mozaïek is in vooral de afgelopen honderdvijftig jaar aangetast door het versmallen van de zeearm door inpolderingen en door het verdiepen van de vaargeul. Het zeewater stroomt veel harder dan vroeger naar binnen en weer naar buiten, de getijdenverschillen zijn fors gestegen. Met meer ruimte voor het water zouden die verschillen weer dalen, en daar zouden vooral veel vogels van profiteren. Eén van de documenten die Nederland maakte bij de aanmelding van het gebied tot Natura 2000-gebied beschrijft soorten waarvoor het huidige beleid „niet voldoende” is, of „vermoedelijk niet”. Dat geldt voor kolgans, smient, wintertaling, wilde eend en pijlstaart. Ook steltlopers hebben steun nodig, zoals scholekster, kluut, bontbekplevier, strandplevier, zwarte ruiter, groenpootruiter, steenloper en visdief. Er moet iets gebeuren voor trekvissen als zeeprik, rivierprik en fint. Ook liggen er op de zandplaten al heel wat zeehonden te rusten, maar dat zouden er meer kunnen worden. En als een natuurgebied maar héél groot wordt, kan zelfs de zeearend er nog eens gaan broeden.