Kunstbezuinigingen leiden tot lege zalen en tot jutlandisering

Staatssecretaris Zijlstra verkoopt zijn bezuinigingsplannen als een middel voor meer marktgerichtheid. Volgens Rick van der Ploeg en Egbert Dommering bestaat daarvoor geen steekhoudend argument.

Het staat de overheid vrij om haar beleid fundamenteel om te gooien bij veranderde, politieke verhoudingen. Behoorlijk bestuur vereist dan wel dat daaraan een degelijk onderbouwde beleidsvisie ten grondslag ligt. De gevestigde praktijk en de daarmee verbonden individuele en collectieve belangen dienen zorgvuldig te worden afgebouwd. Beide elementen ontbreken in het besluit over de bezuiniging op het cultuurbudget.

De Tweede Kamer debatteert volgende week over deze bezuiniging. Staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) heeft voorgesteld om 200 miljoen euro te schrappen tussen 2013 en 2016, op een budget van 900 miljoen euro. Deze maatregel moet volgens de staatssecretaris niet worden ingevoerd in fases, maar in één keer.

Het bedrag van 200 miljoen euro is niet gerelateerd aan het draagvermogen van de kwetsbare cultuursector. Cultuur is mensenwerk, net als onderwijs en zorg. Daarom is het een onverbiddelijk gegeven dat de kosten meer stijgen dan elders in de economie. Volgens de vooraanstaande cultureel econoom William Baumol kan de steeds groeiende economie dit kostendilemma opvangen. Daarom is het des te vreemder dat de bezuiniging onevenredig hoger is dan de korting die wordt opgelegd aan andere sectoren.

Het kabinet geeft geen cultuurinhoudelijke argumenten waarom het budget voor cultuur zo drastisch moet worden gekort. Het is een bij het regeerakkoord afgesproken bedrag. Het daarin uitgedrukte einddoel per ministeriële begroting is heilig. Het heeft dus niets te maken met het functioneren van de desbetreffende gesubsidieerde sector in de afgelopen periode. Dat het bedrag een essentiële bijdrage aan het einddoel van het akkoord levert, is niet aannemelijk. Aan een Europees monetair fonds geven we immers miljarden.

De voorstellen verwachten veel van particuliere geldgevers. Ze miskennen alleen dat de mogelijkheden in een samenleving als Nederland, waar via de lijfrenteconstructie en bedrijfssponsoring al veel wordt gegeven, beperkt zijn. Bovendien geeft de particuliere sector alleen geld als de overheid een substantiële bijdrage levert aan het in stand houden van de basisstructuur van de kunsten. De particulieren die kortgeleden een vijfjarige, fiscaal aftrekbare lijfrente sloten, ten behoeve van een instelling die binnen vier jaar wordt wegbezuinigd, krijgen alsnog de rekening gepresenteerd van de fiscus – over stimuleren gesproken.

Het enige argument dat het kabinet geeft voor de bezuinigingen, dat de cultuursector meer haar eigen broek moet ophouden en nieuwe fondsen moet zoeken bij sponsors en het publiek, is dus niet geloofwaardig – zeker gezien het gegeven dat nog onduidelijkheid bestaat over de aangekondigde Geefwet. Het is ook uitgesloten dat het ministerie van Financiën 200 miljoen euro heeft gereserveerd aan fiscale uitgaven. Het zal neerkomen op een culturele kaalslag. Daarna valt er niets meer te sponsoren. Het is een gotspe dat het kabinet deze onomkeerbare slachting van het fijnmazige, hoogwaardige en veelzijdige netwerk van culturele mogelijkheden in ons land voor zijn rekening wil nemen.

Dankzij dit netwerk vestigen buitenlandse bedrijven zich in Nederland. Onze internationaal befaamde, postacademische, culturele instituten trekken internationaal creatief toptalent aan. Een deel van deze mensen vestigt zich blijvend in Nederland. Hierdoor kunnen kunstinstellingen een internationaal concurrerend aanbod blijven leveren.

Het is bizar dat minister Verhagen (Economische Zaken, CDA), ondanks de studies naar het belang van de creatieve industrieën, niet protesteert tegen de negatieve, economische welvaartseffecten van deze kaalslag.

De bewindspersoon kiest bovendien voor gevestigde culturele instellingen. Nederland heeft door zijn voor cultuur te kleine markt en door de taalbarrière een achterstand te overwinnen. Dat geldt vooral voor de podiumkunsten en de beeldende kunsten. De voorgestelde maatregelen leiden niet alleen tot music for the millions, maar ook tot een terugval tot provincialisme – met als dieptepunt de opheffing van internationale kroonjuwelen als de Rijksacademie, de Ateliers en de Jan van Eyck Academie.

De destijds door Neelie Kroes gevreesde ‘jutlandisering’ van Nederland begint in zicht te komen.

De hoofdboodschap van de ‘Zijlstrabrief’ is dat het internationale topniveau moet worden behouden of gestimuleerd, in alle sectoren van de cultuur. Tegelijkertijd sloopt het voorstel juist de plaatsen waar ruimte is voor experimenten. Ook halveert dit voorstel het budget voor projectsubsidies.

De overheid kan bij vernieuwing en experimenten een belangrijke rol spelen. Juist deze zaken zijn niet snel rendabel te maken.

Onlangs nog heeft de overheid de bijdragen aan het innovatiefonds voor de industrie substantieel verhoogd. Wij weten dat Nederland internationaal excelleert in sporten die hier breed worden beoefend. Met het oog op de Olympische Spelen investeert Nederland fors in deze sector. In de cultuur wordt daarentegen de sloophamer gehanteerd.

De Zijlstrabrief zegt initiatief van de markt belangrijk te vinden. Toch verraadt hij de topdownbenadering van de manager die uitmaakt wat waar moet gebeuren. Zo decreteert de brief welke museale instellingen subsidie krijgen om aan wetenschappelijk onderzoek te doen. Dat is een miskenning van de bestaande inzichten dat collectiepresentatie die niet op wetenschappelijk onderzoek en onderwijs stoelt, leidt tot lege zalen met dode voorwerpen.

De vaststelling van een subsidieplafond moet het geld verdelen volgens transparante criteria. Die bevat het voorgenomen besluit niet. Het omschrijft ‘functies’ en zet daar een kwantitatieve norm naast. Hoe de instellingen in deze stoelendans in 2013 een zitplaats kunnen veroveren, is onduidelijk.

De brief stelt behalve de selectie op kwaliteit – peer review – ook factoren vast als publiek, ondernemerschap, deelname beheer van een rijkscollectie van (inter)nationale betekenis. Het is niet duidelijk hoe die factoren in onderling gewicht tot elkaar staan en hoe die per soort instelling in onderling gewicht kunnen verschillen.

Tenslotte ontbreekt het aan de mogelijkheid tot geleidelijk bezuinigen en tot bijsturing als de maatregelen anders uitpakken dan verwacht. Dat is een veronachtzaming van de belangen van degenen die, veelal tegen bescheiden salarissen, hun beste krachten hebben gegeven aan de opbouw van de cultuur in Nederland.

Dit voorgenomen besluit ontbeert het in de democratische rechtsstaat noodzakelijke kwaliteitsniveau. Het is tijd om de kadaverdiscipline, die tot dusver voorop stond bij de uitvoering van dit gedoogakkoord, te doorbreken.

Egbert Dommering is sinds 1988 hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1989 tot 2004 was hij directeur van het Instituut voor Informatierecht. Rick van der Ploeg was staatssecretaris (Cultuur, PvdA) in het kabinet-Paars II en nu hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Universiteit van Oxford.