Knuffel laat droevig kind lachen

Een kind in het ziekenhuis stuur je een kaartje, maar wat doe je na huiselijk geweld? Psycholoog Eva Alisic deed onderzoek naar de traumaverwerking bij kinderen.

Een ernstig auto-ongeluk, een zusje dat plotseling overlijdt of zien hoe je vader je moeder in elkaar ramt. Een op de zeven schoolkinderen heeft een dergelijke schokkende gebeurtenis meegemaakt, concludeert psycholoog Eva Alisic. Ze onderzocht hoe ouders, leraren, vriendjes en knuffels deze kinderen kunnen helpen. Alisic promoveerde eerder deze maand cum laude aan de Universiteit Utrecht.

Alisic vroeg 1.770 kinderen van 8 tot 12 jaar naar het ergste wat ze hadden meegemaakt. „Van hen noemde 5 procent de plotselinge dood of ernstige verwonding van een ouder, broer, zus of beste vriend. Ruim 4 procent had thuis of op straat een gewelddadig incident gezien of meegemaakt. En bijna 2 procent van de kinderen had een ongeluk gehad.” Het bleek niet uit te maken of kinderen van autochtone of allochtone afkomst waren, of dat ze in de stad of daarbuiten woonden.

Volgens Alisic vallen de cijfers mee vergeleken met de Verenigde Staten, waar 40 tot 80 procent van de kinderen een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt. „Dat komt vooral doordat daar meer geweld is, onder meer op straat. Maar toch: in Nederland gaat het om zo’n vier kinderen per klas. Veel leraren weten niet hoe ze met deze kinderen moeten omgaan, blijkt uit ons onderzoek. Als een kind na een ongeluk in het ziekenhuis ligt, dan worden er kaarten gestuurd. Maar steun bieden na een aanranding of huiselijk geweld, dat lukt niet zomaar. Leraren weten niet wanneer ze zich zorgen moeten maken. Of dat ze hulp kunnen krijgen bij een pyschotraumacentrum, zoals de onze bij het UMC Utrecht.”

Alisic en haar collega’s ontwikkelden daarom een Toolkit Kind en Trauma, een website met een boekje. Die werd dit jaar verspreid op alle basisscholen en pabo’s. „Een leraar moet geen therapeut worden, maar hij of zij kan wel signalen oppikken dat het slecht gaat met een kind. In de eerste weken na de traumatische gebeurtenis hebben de meeste kinderen stressklachten, bijvoorbeeld nachtmerries, herbelevingen of concentratieproblemen. Sommigen gaan extreem aan hun ouders hangen. Anderen worden erg druk, snel geërgerd, schrikachtig of juist teruggetrokken. Dat is allemaal normaal en de meerderheid komt er overheen. Maar na vier weken moet je verbetering zien.”

Zo’n 10 tot 30 procent van de kinderen houdt maandenlang klachten of krijgt zelfs een posttraumatische stress-stoornis, volgens Alisic. Ze deed een analyse van alle beschikbare literatuur hierover. Daaruit haalde ze de twee factoren die het beste kunnen voorspellen welke kinderen grote kans hebben op langdurige problemen. Alisic: „Ten eerste de ernst van de stress, angst en depressie van het kind meteen na de gebeurtenis of in de drie maanden daarna. Sommige kinderen worden volledig apathisch of ontzettend verdrietig. Nu wachten we vaak een maand voor we zo’n kind behandelen. Wellicht zouden we bij zeer ernstige klachten eerder moeten ingrijpen.”

De tweede voorspellende factor zijn de stressklachten van de ouders. „Dat is verrassend: traditioneel is er veel aandacht voor het begeleiden van het kind, maar niet voor de stressklachten van de ouders.” Alisic deed uitgebreide interviews met 25 kinderen en 33 ouders. „Veel ouders vertellen zo geraakt te zijn door de gebeurtenis, dat ze minder goed voor hun kind konden zorgen. Vaak dénken ouders dat ze hun eigen stress goed verbergen, maar merkt het kind het toch.”

Alisic vroeg kinderen hoe zij de maanden of jaren na de schokkende gebeurtenis hadden ervaren. „Dat is uniek. Er wordt vooral onderzoek gedaan óver kinderen, met behulp van ouders en met volwassen vragenlijsten die ad hoc worden aangepast voor kinderen. Ik heb jaren bij de Kindertelefoon gewerkt. Daar heb ik geleerd hoe belangrijk het is om naar kinderen te luisteren. Je ontdekt wat kinderen zélf relevant vinden.”

Ineens begint Alisics gezicht te stralen, midden in een sfeerloos café op station Utrecht CS – Alisic werkt inmiddels in Australië. „Ze vertelden over de steun van ouders, maar vooral ook vriendjes – veel kinderen konden me exact vertellen hoeveel kaartjes ze hadden gekregen. Ouders en leraren zouden deze sociale steun veel beter kunnen activeren. Ook hadden kinderen het opvallend vaak over knuffels die hen aan het lachen maakten. Ze noemden een knuffel nemen zelfs als tip voor andere kinderen die iets ergs hadden meegemaakt.”

Kinderen bleken gebeurtenissen zoals getuigen in een rechtszaak na een misdrijf of een serie operaties na een ongeluk, vaak als net zo vervelend te ervaren als de traumatische gebeurtenis zelf. Alisic: „Voor die lange nasleep zou expliciet aandacht moeten zijn in de behandeling.”

Daarnaast vroeg Alisic ouders die hun kind goed hielpen welke methodes zij gebruikten. „Daar was weinig over bekend. Hoe vinden ouders bijvoorbeeld een balans tussen het kind confronteren en het kind de controle laten houden? Er was een koppel dat de misvormde vinger van hun zoon fotografeerde en het kind liet bepalen of en wanneer hij die foto wilde zien. De beste tip: laat kinderen zo snel als kan weer naar school gaan. De dagelijkse structuur geeft hun houvast en een gevoel van veiligheid.”