Is dit instituut er over vijf, tien jaar nog?

De New York Times worstelt met een veranderend medialandschap maar Page One schept een beetje hoop.

„De krant kan verdwijnen, maar de redactie niet.”

We kennen allemaal de litanie: nieuwsjournalistiek bedrijven is duur, oplages en advertentie-inkomsten dalen en bloggers kunnen alles sneller en goedkoper. Ook The New York Times heeft het zwaar, getuige alleen al de ruim honderd ontslagen op de redactie in 2010. Een jaar eerder had de krant nog 250 miljoen dollar moeten lenen van de Mexicaanse miljardair Carlos Slim om niet in acute betalingsproblemen te komen.

Vrijdag werd in zowel Lincoln Center als Angelika Film Center in New York de documentaire Page One voor het eerst vertoond. De film laat zien hoe The New York Times worstelt met de huidige economische omstandigheden en de uitdagingen van een almaar veranderend medialandschap. Of de film ook in Nederland verschijnt is nog niet bekend.

Regisseur Andrew Rossi heeft een jaar lang vier journalisten van het mediakatern van de krant gevolgd. De keuze om juist de mediaredactie te volgen is begrijpelijk. Analyses van bijvoorbeeld de WikiLeaks-kabels of verhalen over de bedrijfscultuur bij de Tribune Company, de noodlijdende uitgever van onder meer de Chicago Tribune en Los Angeles Times, sluiten naadloos aan bij het onderwerp van de film: de verschuivingen in de manier waarop we informatie vergaren, verspreiden en consumeren. En het stelt hem in staat enkele grote vragen te stellen: wat is de rol van een dagelijkse krant in een functionerende democratie? Is de Gray Lady er over vijf, tien of twintig jaar nog?

Hoe het The New York Times vergaat zegt veel, zo niet alles, over de overlevingskansen van andere ‘oude media’. Page One is dan ook uitgebreid – en veelal positief – besproken in de Amerikaanse pers. Zo niet in de Times zelf, die voor de gelegenheid de notoir kritische Michael Kinsley van Bloomberg News had ingehuurd. Kinsley noemde de film „een rommeltje” die hem weinig leerde over de werkwijze van de krant.

De held van Page One is ontegenzeggelijk de mediacolumnist David Carr, een voormalige crackjunkie die na de nodige omzwervingen op latere leeftijd bij The Times terechtkwam. Zo’n man – „Als je lang genoeg voor de media werkt, typ je uiteindelijk je weg terug naar je eigen deurmat” – vreest het vooruitzicht niet meer op straat te belanden. Hetgeen niet wil zeggen dat Carr niet van zijn werkgever houdt. Integendeel. Als Carr op bezoek gaat bij mediabedrijf VICE, dat zojuist een samenwerking met CNN is aangegaan, wil hij weten waarom het bedrijf een interessante partner voor CNN zou zijn. „Wij weten hoe je jonge mensen aanspreekt”, zegt een VICE-medewerker tegen Carr. Als bewijs vertelt hij over een VICE-productie die „een oude instelling als The New York Times nooit zou hebben gebracht”.

Het betreft een reportage uit Afrika over kannibalisme en stranden waarop mensen bij gebrek aan toiletten hun behoefte doen. Carr onderbreekt de (jonge)man: ,,Voordat jullie daar ooit heengingen, hadden wij er al verslaggevers die er over genocide berichtten. Dat jij een safarihelm opzet en naar wat poep kijkt, geeft je nog niet het recht ons werk te beledigen.” Het wordt stil. Dan zegt Carr: „Maar ga verder.” De met ongeveer vijftig mensen gevulde zaal lacht bewonderend.

Een belangrijk deel van Page One is gewijd aan de wijze waarop Carr en zijn redactiechef, Bruce Headlam, in meer dan vijfduizend woorden de wantoestanden bij de Tribune Company blootleggen. Het is het resultaat van klassieke onderzoeksjournalistiek waaraan wekenlang gewerkt is. Zo krijgt de kijker niet alleen een spannend kijkje in de keuken van de krant, maar wordt een belangrijk punt gemaakt: geen krant, laat staan een internetpublicatie, had dit verhaal maar half zo goed en secuur kunnen brengen als de Times. Aldus breekt Rossi een lans voor de traditionele waarden van de journalistiek – „een belangeloze zoektocht naar de beste versie van de waarheid”, in de woorden van Washington Post-veteraan Carl Bernstein.

The New York Times heeft te maken met een nieuwe realiteit: in 1971 had klokkenluider Daniel Ellsberg de krant nodig om de Pentagon Papers – documenten waaruit bleek dat de regering-Johnson had gelogen over de Amerikaanse betrokkenheid in Vietnam – openbaar te maken; in 2010 hoefde WikiLeaks alleen maar een filmpje op YouTube te zetten om te tonen hoe Amerikaanse militairen onschuldige Irakese burgers neerschoten. In Page One zien we hoe het grote The New York Times toen maar besloot Julian Assange te interviewen, om dit nieuwsfeit in ieder geval nog te kunnen duiden. Meer zat er niet in.

Tijdens de Q&A-sessie met het publiek na afloop van Page One benadrukt Brian Stelter, een van de vier gevolgde Times-redacteuren, dat de rol van de Times nog lang niet is uitgespeeld. Hij put hoop uit het feit dat WikiLeaks uiteindelijk toch de hulp inriep van zijn krant bij het publiceren van de kabels. „Ze hadden onze expertise nodig om de informatie te filteren en op een begrijpelijke manier te presenteren.”

Als iets blijkt tijdens de Q&A-sessie, dan is het wel dat de bezoekers allen de krant een warm hart toedragen: evenals de in Page One opgevoerde mediaprominenten lijkt men ervan overtuigd dat The New York Times nog altijd essentieel is voor het functioneren van de Amerikaanse democratie.

Steller kan de zaal echter niet geruststellen. „Niemand weet precies wat er met de Times gaat gebeuren.” Een ding weet hij wel: „De krant kan verdwijnen, maar de redactie niet. We moeten onszelf zien als individuen die deel uitmaken van een prachtig instituut.”