Verwante auteurs, maar geen vrienden

‘Uw produktie zal wel niet worden à la Vestdijk’, schreef Bordewijk aan Hermans.

Zowel in deze brieven als in de Volledige werken 14 is aan vileine teksten geen gebrek.

Aardig, maar het lijkt te veel op Bordewijk, schreef D.A.M. Binnendijk in 1944 over een paar manuscripten die hij ter beoordeling van uitgeverij Meulenhoff had gekregen. ‘Wat bij Bordewijk een persoonlijke stijl is, overeenkomstig een eigen ziens- en zijns-wijze, lijkt hier navolging en forceering.’

De meeste jonge schrijvers zouden na zulke kritiek definitief in hun schulp kruipen, maar de 23-jarige Willem Frederik Hermans (1921-1995) had een voldoende eigen ziens- en zijns-wijze om iets anders te doen. Hij schreef een brief aan F. Bordewijk met de vraag of die óók meende dat hier sprake was van een soort plagiaat. Bordewijk (1884-1965), op dat moment 59 jaar, schreef terug dat hij niet veel tijd had, maar dat hij best even wilde kijken.

Het eerste verhaal vond Bordewijk niet zeer geslaagd, het tweede (‘De zwerveling in de Anacondastraat’, dat nooit werd gepubliceerd) leek hem beter, bij herschrijving zou hij ‘heele stukken […] kunnen behouden’. Resumerend: ‘U heeft stelligen schrijversaanleg – waarschijnlijk bent u eerst sinds kort bezig, en ik meen u ook voor jong in jaren te mogen houden.’ Je verwacht van de schrijver van Karakter natuurlijk geen woeste complimenten voor een jongeman. En, o ja, ‘eenige verwantschap’ met zijn eigen werk had Bordewijk inderdaad wel aangetroffen.

Verwantschap is inderdaad wat deze correspondentie drijft, niet minder maar ook niet meer. Tot een werkelijke, persoonlijke vriendschap kwam het niet. In de loop der jaren schreven Bordewijk en Hermans elkaar met een zekere regelmaat en als Bordewijk voor een lezing in Groningen moest zijn dan lunchten ze samen.

De meeste brieven worden gebruikt, afgezien van algemene vriendelijkheden en beleefdheden, voor aanmerkingen op elkaars werk. Die zijn vaak de moeite waard. Zo vond Hermans in 1957: ‘Er is in uw verhalen altijd een voelbare discrepantie tussen de dikwijls geniaal beschreven dode stof en een niet erg overtuigende weergave van de psychische materie.’ En, prachtig geformuleerd: ‘Men bemerkt in Uw proza een soort verlegenheid (die soms plotseling overgaat in te grote bruutheid) tegenover de levende dingen.’ Het is kritiek, maar je wilt onmiddellijk een boek van Bordewijk uit de kast plukken.

De aangesprokene zelf beleefde er minder plezier aan. Hij herinnerde Hermans aan hun leeftijdsverschil en vroeg of die ‘een van mijn grotere romans’ wel had gelezen. Die gingen toch over mensen en trokken nog steeds een groot en jong publiek. Hermans, per kerende post: ‘Dat ik Uw andere romans niet gelezen zou hebben, kunt u niet menen: ik heb er in ’46 en ’48 twee tamelijk lange stukken over geschreven.’ Bordewijk beëindigde het gehakketak met het voorstel alles tijdens een goed gesprek door te nemen.

De ontmoetingen waren niet altijd een succes. ‘Onze gesprekken werden menigmaal door pijnlijk lange stilten onderbroken’ schreef Hermans in 1979 in een artikel over Bordewijk. ‘Andere dan zeer algemene mededelingen kwamen zelden over zijn lippen.’ Eenmaal zelfs, bekende Hermans, had hij hoofdpijn voorgewend en was hij bij Bordewijk weggevlucht. Dat moet in het najaar van 1957 zijn geweest, concluderen de bezorgers Marsha Keja en Arno Kuipers.

Het was inderdaad het jaar van de kritische uitwisseling hierboven. Bovendien waren in juni Hermans’ Drie melodrama’s verschenen. Bordewijk schreef er op 2 november wat vriendelijke woorden over, inclusief excuses dat hij er niet eerder iets over had laten weten. Het boek was al vijf maanden uit en was vast ook al verschenen bij het ‘hoofdpijnbezoek’. Ineens rijst het beeld op van een moeizame bijeenkomst waarbij Bordewijk steeds niets zegt over Drie melodrama’s, en zich beperkt tot ‘algemene mededelingen’ – tot Hermans de benen neemt.

Zo hoeft het natuurlijk niet gegaan te zijn, het aardige van een briefwisseling is dat deze je de gelegenheid biedt te speculeren over hoe men werkelijk tegenover elkaar stond. (En de gemene passages, zoals deze van Bordewijk: ‘In elk geval zal uw produktie wel niet worden à la Vestdijk, wie zoals ik vrees de roem naar het hoofd gestegen is […] Maar hij was toch zulk een aardige kerel en hij schreef zoveel moois. En nu aldoor maar romans en niets dan dat.’)

Veel meer vileine opmerkingen staan er – uiteraard – in het veertiende deel van de Volledige werken van Hermans, die tegelijk met het brievenboek verschenen. Zo wordt de altijd en unaniem bewierookte schrijver A. Koolhaas er bijzonder geestig in bespot, beginnend met het superieure. ‘Ik heb zelden of nooit andere dan gunstige kritieken op Koolhaas gelezen. Zijn boeken ken ik minder goed.’ En meteen daarna: ‘’t Is begrijpelijk, ja misschien zelfs een lotsbestemming, als een man die Koolhaas heet, zich op het standpunt stelt dat de andere hazen ook een woordje mogen meespreken.’ Dan ga je er goed voor zitten, om te lezen hoe Hermans deze Koolhaas eindelijk te grazen neemt. Maar hij bijt niet door.

De polemist raakt afgeleid door een uitspraak van Koolhaas over hoe de ‘Grote Drie’ de publiciteit weten te bespelen, waarna Hermans dat uitgebreid gaat weerleggen; het stuk gaat uiteindelijk niet om Koolhaas, maar om Hermans zelf.

Natuurlijk lees je veel imposants in de 750 tekstpagina’s van dit deel, dat grotendeels bestaat uit stukken die in 1988 als Door gevaarlijke gekken omringd werden gebundeld. ‘Kampioenen voor Moskou’ is een geweldig verhaal over twee bij een chirurgisch experiment aan elkaar genaaide mensenarmen. De armen ontsnappen langs een elektriciteitskabel, de wetenschappers beginnen een kolderieke achtervolging en vragen zich en passant af waarom het resultaat van hun experiment nog geen naam heeft. Dat is, schrijft Hermans, ook net het verschil met ‘de theologie, de criminologie, de antroposofie, de sociologie, de psychologie, de filosofie en zulke vakken meer. Daar is het eerder regel dan uitzondering dat er allereerst een nieuw woord wordt uitgevonden, waarmee dan geen enkel ander tastbaar voorwerp correspondeert.’ Uiteindelijk krijgen ze de armen te pakken. Het ding werpt zich om de hals van zijn schepper, als ‘een chimpansee die zijn oppasser herkent’. Beter en mooier wordt het niet. Maar ook in dit prachtverhaal tikt Hermans nog een pagina lang door zonder veel interessants toe te voegen en eindigt hij met een verwijzing naar de Olympische Spelen van Moskou.

Hermans gebruikt veel woorden, gaat langer door op zijn grapjes dan nodig. Dat kan een kwestie van een veranderende tijd zijn (de stukken zijn uit de jaren zeventig en tachtig), maar je kunt je niet aan de gedachte onttrekken dat hier een broodschrijver het einde van het vel probeert te halen, zonder er zelf nog veel plezier aan te beleven. Door gevaarlijke gekken omringd – en dan nog voor ze moeten schrijven ook!

Een geniale broodschrijver, maar toch: een broodschrijver. In een van zijn eerste brieven aan Bordewijk schreef Hermans al: ‘Het schrijven als ‘beroep’ hoop ik zoo lang mogelijk te kunnen vermijden. De moeilijkheden die daaruit ontstaan zouden, lijken mij grooter dan die welke ik nu door het dienen van twee heeren ondervind.’

Willem Frederik Hermans en F. Bordewijk: Een onmiskenbare verwantschap. Brieven 1944-1965. Bezorgd door Marsha Keja en Arno Kuipers. WFH / Bezige Bij, 136 blz. € 19,90

Willem Frederik Hermans: Volledige werken 14. Beschouwend werk. De Bezige Bij, 672 blz. €35,- (Luxe editie € 85,-)