Sommige koperdieven hadden hoge hoeden op

In 2008 werd aan de digitale versie van de Grote Van Dale het woord koperdief toegevoegd, met als betekenis ‘vandalistische dief die koper steelt, met name uit de openbare ruimte’.

Dat Van Dale het woord in 2008 opnam is goed te verklaren. In de tien jaar daarvoor komen we het woord wel tegen in de digitale leggers van kranten, maar aanvankelijk slechts sporadisch. Slechts één keer in 2000, driemaal in 2001 en 2002, zevenmaal in 2004 en 2005 – en zo stijgt de frequentie gestadig, in navolging van de koperprijs. In 2006 moet die prijs voor dieven een kritische grens hebben overschreden, want in dat jaar vinden we het woord opeens zo’n vierhonderdmaal in kranten.

Sindsdien is het niet meer weg te denken. Bijna wekelijks berichten de media over koperdieven, die het vooral op koperen leidingen langs spoorrails hebben gemunt.

Koperdiefstal heeft iets merkwaardigs. Meestal hebben dieven het in ons deel van de wereld op dure eindproducten voorzien, niet op een grondstof. Bovendien slingert koper nergens rond – je moet er flink voor werken om het los te wrikken en vervolgens te vervoeren. Daarbij komt dat de opbrengst relatief laag is: momenteel brengt een kilo gebruikt koper zo’n vijftien euro op.

Maar goed, hier is de hoofdvraag of het woord koperdief inderdaad uit het begin van de 21ste eeuw dateert en of de informatie in Van Dale nog aanvulling behoeft.

Ik vermoed dat er al koper wordt gestolen sinds er koper wordt gedolven en verwerkt – al duizenden jaren –, maar de eerste berichten hierover in Nederlandstalige kranten dateren van het eind van de 19de eeuw. Zo lezen we in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 1896 over „een los werkman” die werd gepakt met drie kilo koper. Hij verklaarde dit te hebben gevonden, maar bij nader onderzoek bleek de man de vorige dag koper uit een stoomschip te hebben gelost.

In de jaren daarna komen we tientallen berichten tegen over koperdieven. Over een 19-jarige bankwerker bijvoorbeeld die uit een fabriek koperen kranen, kleerhaken, busjes, pijpjes, naamplaatjes, kastbeslag en machineonderdelen steelt. En over een Amsterdamse jongen die een pak slaag krijgt van een timmerman die hem betrapt terwijl hij in een huis koperen traproedes aan het losschroeven is – zo’n bericht haalde indertijd nog de krant.

De daders zijn vaak eenvoudige arbeiders en armoedzaaiers. Zo lezen we over die 19-jarige bankwerker: „Hij bekende tot het misdrijf gekomen te zijn door armoede. Hij was al sinds lang zonder werk en kon daardoor ook zijn moeder niet langer onderhouden” (citaat uit De Telegraaf van 1908).

Ook uit legerplaatsen werd veel gestolen, zowel in Nederland als in Nederlands-Indië. Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië meldde in 1913: „Het gaat den laatsten tijd weer een goed gangetje met de koperdiefstallen uit het marine-etablissement.” Tijdens de Eerste Wereldoorlog steeg de vraag naar koper zo sterk, dat ook kerken het geregeld moesten ontgelden. Dit liep zo uit de hand dat het Algemeen College van Toezicht de kerkvoogdijen in 1918 in een brochure opriep om koperen voorwerpen uit kerken te verwijderen.

De eerste berichten over koperdiefstallen bij de spoorwegen en trammaatschappijen dateren uit de jaren dertig: ook toen gingen dieven er al geregeld met leidingen vandoor.

Is het woord koperdief uitsluitend gebruikt voor ‘iemand die koper steelt’? Nee. Aan het eind van de 19de eeuw droegen Amsterdamse politieagenten jassen met twee rijen koperen knopen, plus een hoge hoed met aan de voorzijde een koperen plaat met daarop het wapen van Amsterdam. Dat leverde hun niet alleen de bijnamen koperslager, koperen bout en boutje op, maar ook koperdief.