Onder Rutte trekt de staat zich terug

Achter de bezuinigingen voltrekt zich een ideologische wending binnen de VVD.

De overheid is nu niet meer medeverantwoordelijk voor de ontplooiing van burgers.

Het bezuinigingsbeleid van het kabinet-Rutte geeft een onthullend inzicht in de ideologische wending die de VVD onder de jeune premier maakt. De conclusie moet zijn dat de VVD meer en meer afstand neemt van het sociaal-liberalisme dat de partij sinds haar oprichting in 1948 heeft gedomineerd. Daarbij treedt een antiretoriek over de staat die geen ‘geluksmachine’ mag zijn in de plaats van de overtuiging dat de overheid een rol heeft in de ontplooiing van burgers.

De rode draad in de bezuinigingsvoorstellen van de afgelopen tijd is dat de overheid zich terugtrekt uit voorzieningen die bijdragen aan de vorming van burgers en de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Met de shocktherapie in de kunsten decimeert de overheid haar aandeel in hun culturele educatie. Met de minimalisering van het persoonsgebonden budget in de zorg verkleint zij hun mogelijkheden om zelf hun zorg te regelen. Met de terugtocht uit het integratiebeleid aanvaardt zij geen verantwoordelijkheid meer voor de vorming van immigranten in het Nederlands burgerschap.

In de traditie van het sociaal-liberalisme, in geschriften van de VVD zelf ook wel ‘ontplooiingsliberalisme’ genoemd, draagt de overheid juist medeverantwoordelijkheid voor de ontplooiing van burgers en het aanleren van vaardigheden. Die traditie is verbonden met een specifieke visie op vrijheid. De gedachte is dat een overheid die de middelen tot emancipatie biedt, mensen toerust om op eigen benen te staan en het genot van hun vrijheid te genieten. De naoorlogse politiek om de overheid een verantwoordelijkheid te geven op het terrein van cultuur, onderwijs, sociale zekerheid en integratie is dan ook evenzeer een liberaal als een christen-democratisch en sociaal-democratisch project.

De VVD lijkt nu met deze traditie te breken. Dat is de ideologische wending die achter het bezuinigingsbeleid zichtbaar wordt. Mark Rutte laat die wending gepaard gaan met zijn retoriek over de staat die geen ‘geluksmachine’ meer mag zijn, waarbij hij wijselijk in het midden laat welke politieke groepering in Nederland de staat wél als zodanig ziet. De overheid is nog geen ‘geluksmachine’ als zij zich medeverantwoordelijk houdt voor de instandhouding van voorzieningen van algemeen belang die onder het regime van de markt zouden sneuvelen. In dat licht is de karikatuur van de ‘geluksmachine’ onthullend voor de antistatelijke stemming waarin de VVD verkeert.

De recente partijgeschiedenis van de VVD laat zich lezen als een strijd tussen ontplooiingsliberalen en hun opponenten, meestal onderhuids, soms openlijk. Bij het veertigjarig bestaan van de VVD in 1988 kreeg de buitenwereld voor het eerst een helder zicht op die strijd, dankzij de partijdiscussie over het rapport Liberalisme, een speurtocht naar de filosofische grondslagen. De auteurs, onder wie de latere partijleider Frits Bolkestein en de rechtsfilosoof Andreas Kinneging, keerden zich tegen het ontplooiingsliberalisme en kozen vóór de ‘utilitaristische’ variant, waarin niet de persoonlijkheidsvorming maar het nut van het individu voorop staat.

Het VVD-congres keerde zich toen nog met kracht tegen deze keuze, mede vanwege het ontbreken van enig vooruitgangsgeloof in de bijbehorende mensvisie. Waar ontplooiingsliberalen de zelfverwerkelijking van het individu nastreven, schreven Bolkestein c.s. het volgende over hun mensbeeld: ‘De mens is een wezen dat zijn nut wil maximaliseren. Hij heeft niet een bepaald levenspad af te leggen, maar streeft steeds naar wat hem van moment tot moment leuk, handig, aangenaam of plezierig lijkt. Van een ontwikkeling, een groei in zijn persoonlijkheid in de loop van zijn leven is niet of nauwelijks sprake.’

De auteurs erkenden dan ook dat deze mensvisie ‘atomistisch en egoïstisch’ mag worden genoemd, voor zover mensen zich volgens hen niets gelegen laten liggen aan het welzijn van anderen. Keerde de VVD zich op haar veertigste verjaardag nog tegen dit nuttigheidsconcept van het liberalisme, nu lijkt zij veel meer in die richting te gaan. Politiek geduid is dat de betekenis van de terugtrekking van de overheid uit voorzieningen die mensen bijstaan in de ontwikkeling van hun persoonlijkheid.

Een tweede conclusie is dat met deze wending in de VVD een Amerikaanse vorm van populisme zijn intrede in de Nederlandse politiek doet, zij het in een gematigder versie. In de beeldvorming wordt de groepering van Geert Wilders niet zelden op één lijn gezet met de Amerikaanse Tea Party. Dat is niet terecht. Veeleer dan islamhaat, de drijvende kracht achter de PVV, is weerzin tegen de overheid de bindende factor in het Amerikaanse populisme. De PVV kent juist een zware rol aan de overheid toe, althans in het sociale beleid. Een beetje tersluiks heeft zij grote delen van het sociale programma van de SP tot het hare gemaakt. Daarin is de overheid onmisbaar. De aversie tegen de overheid mag bij de Tea Party feller en radicaler zijn, de tendens bij de VVD gaat onmiskenbaar die richting uit.

Marcel ten Hooven is freelance journalist. Hij was eerder politiek redacteur bij Vrij Nederland en Trouw. Zijn laatste boek is ‘U bevindt zich hier. Oriëntaties op maatschappij, politiek en religie’ (2010).