Het bewustzijn: ja of nee

Heeft onze regering er eigenlijk nog wel zin in? De laatste maanden is ze druk geweest om te vertellen wat ze niet wil, wat ze niet belangrijk vindt, wat ze afschaft, afstoot, opheft, wat ze mislukt acht, wie ze het liefst ontslagen ziet en wie ze hier überhaupt nooit meer wil zien. Wie heeft ooit het woord ja nog ergens horen noemen?

In welingelichte kringen leeft het vermoeden dat er toch nog wel wat wordt geregeerd; iets met staatssteun aan grote bedrijven, die vroeger goed zijn geweest in innovatie. Hoe dan ook – wij, le pauvre peuple, zijn daarbij helemaal niet meer nodig. Daarom krijgen we niets anders te horen dan dat alles wordt beëindigd, visies worden geschrapt en de toekomst wordt opgeheven. De regering zegt „lekker puh” bij alle tegenslagen. Het heeft iets… iets wat? Iets vreugdeloos. Iets heel humeurigs.

Met lood in de schoenen ging ik vorige week dus naar het Paleis op de Dam. Daar zou het gesprek gaan over het bewustzijn. Dat zal dan ook wel worden afgeschaft, bromde ik, toen zag dat Daniel Dennett zou komen spreken. Ik kende de filosoof Dennett vaag als een exponent van de sceptische of scepticistische traditie. Binnen die stroming worden de dingen nu eenmaal eerder afgeschaft dan dat in ze wordt geloofd.

Filosofen en wetenschappers houden sowieso niet erg van overbodige begrippen. Het befaamde ‘scheermes van Ockham’ leert dat je nooit het bestaan moet veronderstellen van meer dingen of entiteiten dan je nodig hebt voor je theorie. Het bewustzijn valt aan zo’n scheermes gemakkelijk ten prooi zodra je het menselijk gedrag wilt beschrijven. Bewustzijn eraf, ziel eruit, geest weg – dan houd je nog een paar botten, een pijnappelklier, speeksel en wat dna over. Een beetje kruipolie erbij en je hebt in crisistijden een burger gecreëerd naar wie je geen omkijken meer hebt.

Dat was de reden dat ik zo op mijn hoede was aan het begin van het paleissymposium On Consciousness. Je moet oppassen dat je niet te veel snijdt. Je kunt natuurlijk besluiten dat je iets niet nodig hebt voor je theorie. Dat wil nog niet zeggen dat je het niet ooit nodig hebt voor een andere theorie. Het wil al helemaal niet zeggen dat je hebt bewezen dat iets ‘niet bestaat’. De laatste tijd is het nogal in de mode geraakt om te claimen dat van alles niet bestaat – de vrije wil niet, schuld niet, het bewuste ik niet. Dat is een vorm van Gott- und Weltverneinung die filosofisch nogal rammelt, hoewel hij inderdaad praktisch klinkt.

Waarvoor is een bewustzijn nodig, luidde de vraag aan het begin van het paleissymposium. Ik schoof naar het puntje van mijn stoel. Gelukkig bleken de aanwezigen het al heel snel erover eens dat je geen antwoord hoeft te geven op de vraag of het bewustzijn wel of niet bestaat. De neurowetenschapper Adrian Owen, die net als Dennett een lezing gaf, stelde nuchter vast dat je geen definitie nodig hebt van het bewustzijn om te onderzoeken of mensen bij bewustzijn zijn.

Owen doet onderzoek naar patiënten in een vegetatieve staat, wakeful but not aware. Zij geven geen merkbare respons op opdrachten of vragen. Om toch respons van hen te krijgen, legt hij hen in een MRI-scanner. Hij vraagt hun om in hun fantasiegedachten een partijtje tennis te spelen als ze ja willen antwoorden. Als ze nee willen zeggen, moeten ze in gedachten door hun huis wandelen. Mensen kunnen, anders dan dieren, kiezen of ze die breinactiviteit aanzetten of niet. Al ja en nee zeggend, via de scan van hun brein, laten de patiënten weten dat ze er zijn en er bewust zijn.

Anders dan de praktijkgerichte Owen leek de filosoof Dennett aanvankelijk op zoek naar een definitie van het bewustzijn – een mysterieus ingrediënt in ons brein, waarvan hij kon zeggen dat het niet bestaat. Gelukkig schetste hij meteen ook hoe het volgens hem dan wel zit. Het brein kan ingewikkelde activiteiten verrichten zonder bewustzijn als baas, net als een computer. Door het downloaden van informatie krijgt het power – cognitieve superpower zelfs.

Zo eindigde deze avond, waarop de koningin had uitgenodigd tot het denken-over-het-denken, met een lofzang op de complexiteit van onze vermogens. Toen de medici na afloop hoog opgaven van het placebo-effect en benadrukten dat positieve aandacht heilzamer is voor vegetatieve en andere patiënten dan welk medicijn ook, maakte geen filosoof daartegen bezwaar.

Opgelucht liep ik het paleis uit – de Dam op, de avond in. Daar, te midden van late straatmuzikanten, overviel me opeens een gevoel van Lebensbejahung. Een gedicht van K. Michel kwam op. Met één haal sneed het dansorkest / als een scheermes van occam het gesprek open. / Ooo! De woorden in de lucht / Het haar in de war / De nacht stralend, sprakeloos. / Jurken, glazen, parasol. / Vensters, de vaas, de lampen. / Alles leeft, alles springt, alles is luid. / Yaaaa! / Het leven voorbij de namen / Yaaaa! / De liefde die danst /Yaaaa! / Duizend miljoen seringen.

Positieve aandacht helpt, luidde de praktische conclusie. Het levert nog bezuiniging op ook.