God moet nodig naar de psychiater volgens Kosman

De lyrische dichters waren zaterdag bij Poetry in de minderheid, ten faveure van taalfilosische dichters. Gelukkig was de Rimbaud van de Oekraïne er ook.

„Wee, de arme, arme alcoholisten, voor wie niemand een goed woord overheeft!”, zingzegt de Roemeense dichter Ion Muresan. Voor het theatraal effect is hij achter zijn spreekstoel vandaan gekomen. Hij doet zijn gedicht uit het hoofd. „Alleen God, in Zijn grote goedheid, duwt een kroeg op hun weg.” De ogen van de bebaarde, kale vijftiger fonkelen al net hard als de ogen van alcoholisten die hij beschrijft als ze dat wonder zien gebeuren. „En tot de middag is de stad als purper. Tot de middag wordt het driemaal herfst en driemaal lente, driemaal trekken de vogels heen en weer naar de warme landen. En zij praten en praten, over het leven. Jawel, over het leven.”

‘Het gedicht van de alcoholisten’ van Muresan was het gloedvolle besluit van een moeizame zaterdag bij Poetry International, het festival dat dat dit jaar twee dagen korter duurde. Het merendeel van de acht dichters die optraden geselden het publiek met duistere gedichten en haastige voordrachten, de ondertiteling haperde meerdere malen en een debat over regels in de poëzie en het „vormzwakke” vrije vers leed zelf aan gebrek aan richting.

Poetry heeft het predicaat een moeilijk festival te zijn reeds lang geleden van zich afgeschud, maar de weg terug leek hervonden. Veel dichters trachten de grote filosofische thema’s tot menselijke proporties terug te brengen, maar dichters als de Duitse Ann Cotten en Uruguyaan Eduardo Espina werken andersom: in hun poëzie worden menselijke verhoudingen opgeschroefd tot filosofische oefening. Bij de luisteraar en lezer van de voorbij schietende vertalingen wekken die syntactische manoeuvres en semantische buitelingen niet meer dan een dof gevoel op.

Ook Admiel Kosman, een Israëlische hoogleraar religieuze studies, deed met zijn monotone voordacht geen moeite het publiek bij zijn poëzie te betrekken. In zijn gedichten spreekt hij een U aan, die de ene keer een god is die glazenmaker is en dan weer op zijn kop krijgt omdat hij geen kritiek verdraagt. ‘Wie er nodig naar de psychiater moet’ heet dat laatste gedicht, met regels als : „U denkt dat u alles weet. Maar sorry, hoor, vanbinnen bent u/ gewoon een ellendige zielenpoot.” Misschien voelt Kosman zich een durfal, maar als niet-gelovige juich je het toe als de eerste stapjes van een peuter.

Bij een van de talrijke middagprogramma’s ging het een uur lang onderhoudend over Roemeense poëzie, waarbij Doina Ioanid aangaf dat de vroegere communistische censuur was ingeruild voor de economische censuur van politiek gemotiveerde ondernemers. „Er is nog geen absolute vrijheid”, stelde ze vast.

Haar landgenoot Muresan oogstte tot zijn verbazing applaus toen hij verkondigde dat gedichten ook belangrijk zijn voor mensen die niet lezen, omdat ze antistoffen aanmaken en het culturele klimaat sensibiliseren. Na de uitleg dat het een reactie was op de kabinetsbezuinigingen deed hij niet moeilijk: „Politici zijn idioten.”

Een vermoeden van politiek was er bij de Chinees Yan Yung, die je in zijn precieze en beeldrijke regels voortdurend effectief suggereerde dat er van alles borrelde tussen zijn regels.

Directer was de Oekraïense dertiger Serhiy Zhadan, geïntroduceerd als de Rimbaud van zijn land, die in een opwindend optreden politiek-historische ontwikkelingen wist te vangen in scherp getekende gedichten over alledaagse desillusies. Hij deed dat met veel zwarte humor, zoals in ‘Lukoil’, waarin hij het moeten begraven van zijn vrienden afzet tegen de doden in de olieoorlog. Twee mannen uit de petroleumindustrie opperen dat ze een gevallen makker op zijn reis willen voorzien van ‘grieten’: „aan zijn linkerkant moet een platinablondine liggen,/ en aan zijn rechterkant moet een platinablondine liggen,/ ja, zodanig dat hij zelfs niet merkt dat hij al dood is.”