De eindigheid van Dolf

Dolf kan er de humor wel van inzien, een onuitgenodigde gast met een bos narcissen in zijn tuin in het Gooi. Even voelt het raar, als hij me aan de andere gasten voorstelt. Nu gaan ze denken dat je mijn veel jongere vriendin bent, grapt hij. Of mijn onwettige dochter. Ik glimlach ongemakkelijk. Meent hij dat? Ik probeer te kijken als iemand zonder geheimen. Maar niemand lijkt mij ergens van te verdenken. Zijn vrouw biedt me direct wat te drinken aan en een buurvrouw wijst op de tafel met nacho’s, garnalen en haring.

Dolf is negenenvijftig geworden en viert dat met een borrel. Een stuk of dertig mensen die ik tussen eind dertig en eind vijftig schat. Mijn oom tipte me over deze verjaardag. Hij was uitgenodigd maar kon niet.

De daklozen kunnen nog wat van je leren, zegt Dolf, terwijl ik een slok spa Marie Henriette neem. Hij kijkt mij onderzoekend aan. ‘Ik geloof je terwijl je toch echt van alles kan zijn.’ Ik kijk terug. Zie ik iets van argwaan? Eventjes misschien. Maar het lijkt of Dolf besloten heeft mij te vertrouwen, hier op de veranda van zijn grote witte huis waarin ongetwijfeld veel te halen is.

Hij vertrekt naar zijn andere gasten. Nu zul je jezelf waar moeten maken, zegt hij nog tegen me. Ik realiseer me dat terwijl ik hier Dolfs feest observeer, het feest mij terug observeert. De vrouwen bij de hapjestafel kijken naar me. Ik glimlach zo ongevaarlijk mogelijk. Een beetje schaapachtig, denk ik. Gelukkig staat de praatgrage buurman naast me. Dit feestje is tam hoor, zegt hij zachtjes. Je moet eens langskomen als het wat warmer is, ha! Hij vraagt of ik geen wijntje wil in plaats van spa Marie Henriette. Ja, zegt hij, hier wordt goed gezopen, de meeste mensen in de buurt bezwijken er vroegtijdig aan. Zijn vrouw nodigt mij uit voor het hockeyfeest in april. Dat wordt een stuk wilder, zegt ze. Dolfs vrouw vertelt over een geheim feest waar ik naar toe moet komen. Ze kan er niets over zeggen, maar geeft me wel de naam van een website. Ik voel me een beetje welkom. Ik pak een rode wijn en kijk naar de mensen om me heen. Voorspoed, is het woord dat er in me opkomt. Mensen die het, zo op het eerste gezicht, hebben getroffen in het leven. Dolf loopt ontspannen tussen zijn vrienden door, een schaal gespieste garnalen in zijn handen. Ik vraag hem of hij zich jarig voelt. Ja, zegt hij. Maar negenenvijftig is wel een rare leeftijd. Niet dat hij er mee zit, maar toch, die zestig zo dichtbij. Mensen vallen weg, ouders sterven. Hij begint nu te beseffen dat het eindig is. Ik zeg dat ik net dertig werd. Dat dat ook zo voelde. Hij kijkt mij meewarig aan. Dat is echt iets heel anders, zegt hij. Dolfs kinderen pingpongen naast de garage, zijn vrouw gaat rond met de cherry tomaten, vrienden lachen op het gras, de voorjaarszon legt een warme gloed over de tuin. Maar ook Dolf is sterfelijk en deze verjaardag is daar het onomstotelijke bewijs van. De buurman zucht. Dolf neemt een slok wijn. Dan gaat hij binnen een kurketrekker halen. Ik pak een garnaal en besluit de trein terug naar huis te nemen. Na een onwennig afscheid loop ik de tuin en het Gooise leven uit.

Als ik omkijk zie ik mensen op de veranda mij nakijken. De buurman heft zijn glas, ik zwaai. Ik denk dat ik er eventjes bijhoorde. Helemaal zeker weet ik het niet.