Uitkijkpost op een nieuwe wereld In LA verdampen oude mislukkingen

Wie de toekomst van de Verenigde Staten wil zien, gaat naar Los Angeles. New York is een stad van arrivés geworden. De moderne pioniers wonen in LA. Ze kijken naar Azië, niet naar Europa. Schoolkinderen krijgen er een uur Chinese les per dag.

Een paar jaar geleden raakte ik verzeild in Northern Liberties, een prettige wijk van jonge creatievelingen nabij het centrum van Philadelphia. Een bewoner nodigde me na ons interview uit op een straatetentje met zelfbereid voedsel, een brave potluck. De jongeren hier – ik herinner me een beginnende architect en twee modeontwerpers – reisden voor hun werk bijna allemaal naar New York. Maar hun liefde voor die stad was in de knop gebroken. Ze hadden er moeten vertrekken of waren er niet eens binnengekomen: een kamer of appartement op Manhattan is domweg onbetaalbaar geworden voor onbemiddelde jonge mensen die de wereld willen veroveren.

New York wordt steeds meer het domein van steenrijke mannen als olieboer David H. Koch. Een gevierde figuur die miljoentjes rondstrooit om het culturele leven van de stad in stand te houden. En die ook – via een omweg – de voornaamste financier is van de Tea Party, de verzameling conservatieve groepen die vorig jaar de oppositie tegen president Obama aanvoerden. Op die manier beschermt hij zijn vermogen tegen overheden die meer belasting willen heffen of de opwarming van de aarde aanpakken. En zo ontwikkelt New York zich tot een museum: welgestelden consolideren er hun positie – en de nieuwe generatie komt er niet meer in.

Nee, dan LA. Een paar weken terug ontmoette ik daar Josh Buxbaum (36), in de jaren tachtig een kindsterretje uit New York en nu bezig aan een tweede leven in Los Angeles. Hij helpt als makelaar beginnende acteurs en andere nieuwkomers aan een woning in West Hollywood of downtown. Vooral dit laatste is opmerkelijk: downtown LA was jarenlang een gribus van daklozen en criminelen. In downtown kwam je niet. Downtown was het bewijs dat de grootste stad van Californië, bij gebrek aan een centrum, altijd een kille verzameling wijken met te brede asfaltwegen zou blijven.

Buxbaum stapte in een kek sportautootje en liet zien waarom down town – ‘DT’ in de taal van lokale hipsters – de laatste jaren veranderde tot, in zijn woorden, the next cool place on the planet. „Het is pioniersgeest: hier moet je zijn, hier gebeurt het.” Leegstaande pakhuizen zijn omgebouwd tot appartementen met een gemeenschappelijke rooftop party pool. Nieuwe technologiebedrijfjes nemen de plaats in van pornowinkels. De straathandel in goedkope horloges sterft uit, het boeddhistische behandelcentrum rukt op. Hotels die door de recessie moesten sluiten zijn opgekocht door Chinezen, „want die hebben ook door dat dit de toekomst is”. In cafés klinkt Aziatische house. Zelfs geslaagde acteurs met kapitale villa’s buiten de stad informeren bij Buxbaum naar een loft in downtown. „Ze willen de boot niet missen.”

De veranderingen van New York en LA zijn de veranderingen van Amerika. De Oostkust richt zich traditioneel op Europa, het oude continent. De Westkust kijkt naar Azië, de nieuwe wereld. En LA is de ideale uitkijkpost. De grootste stad – 17 miljoen inwoners – van Californië, het laboratorium van de VS dat de wereld eerder Google, de sportschool, Facebook, de spijkerbroek, The Huffington Post en Hollywood gaf. Ondanks de recessie, die zwaar toesloeg, blijft de regio rond LA Amerika’s koploper in industriële productie en transport. Bovendien is de stad hét multiculturele experiment van de wereld: bijna 50 procent van de bevolking is latino – de snelst groeiende minderheid van de VS –, 10 procent Afro-Amerikaan en inmiddels al 11 procent Aziaat.

LA, zegt ex-New Yorker Steven Sample, oud-baas van de universiteit van Southern Californië, vervult nu de rol die Alexandrië, in Egypte, 2.500 jaar geleden had: het culturele en economische hart van de planeet. „Het nieuwe centrum van de wereld.”

En de wereld wordt Aziatischer. Zo vertelt Josh Buxbaum dat hij, toen hij tien jaar geleden in downtown LA ging wonen, maar één supermarkt in de buurt had: een Japanse. Nu eet hij wekelijks Japanse tapas, en nog zelden een hot dog. En wie rondwandelt in Koreatown, even buiten Hollywood, ziet in het Koreaanse winkelcentrum La Galleria dat de inpakkers en vakkenvullers, allemaal latino’s, Koreaans als tweede taal hebben geleerd. Engels is hier op zijn retour, sommige winkels maken alleen nog reclame in het Koreaans en Spaans.

Ook mensen die er verstand van hebben, staan soms versteld van het tempo waarmee de Chinese en Amerikaanse cultuur zich in dit deel van Amerika met elkaar vermengen. Zo keek Clay Dube, een vrolijke hoogleraar Chinees-Amerikaanse betrekkingen op de universiteit van Southern California, een half jaar geleden zijn ogen uit toen Amerikaanse en Chinese filmmakers aan elkaar mochten ruiken op een conferentie in Hollywood.

„Driehonderd Amerikaanse cineasten legden 100 dollar neer om in het gevlij te komen bij Chinese financiers”, zegt hij. Bill Mechanic, ex-directeur van Fox Film die onder meer de kaskraker Titanic maakte, drukte Chinese filmmakers op het hart dat een goede film begint bij gezonde zelfkritiek op het eigen land. Andersom zag Dube dat tientallen beginnende Amerikaanse filmmakers bereid bleken „zo’n beetje álles te doen” om Chinese financiering los te krijgen. „Zo onbekommerd dat je even denkt: hoho, gaat dit niet te snel?”

LA was in 2007 de eerste Amerikaanse stad met een handelsvertegenwoordiging in Peking. Nu staat de poort open en iedereen wil passeren. Om dat te illustreren bracht Dube me in contact met de openbare scholen van Palos Verdes, een welgesteld oceaandorpje ten zuiden van LA. De raciale spanningen en rauwe armoede, die ook bij LA horen, zijn hier geheel afwezig. Hier schrijft James Taylor zijn zoete countrysongs, hier geniet voormalig toptennisser Pete Sampras van zijn tweede leven. En hier staan de beste openbare scholen van de VS: in bijna elk onderzoek eindigen ze in de toptien van het land.

Kinderen van vijf tot achttien jaar krijgen er sinds enkele jaren een uur Chinese les per dag. Dat leest u goed: per dag. De meeste scholen in New York geven een uur Chinees per week. Maar hier is onderwijs in de Chinese taal en cultuur voor een zevenjarige even belangrijk als rekenen en taal, legt Rosemary Claire uit, die het programma coördineert. En ’s zomers maken leerlingen studiereizen naar China. Ze moeten de taal volledig beheersen wanneer ze naar de universiteit gaan. „Ik ben pas tevreden”, zegt lerares Chinees Fame Ko Shin Chi, „als ik mijn ogen sluit en het klinkt alsof ik weer in China voor de klas sta.”

De scholen van Palos Verdes zijn nu nog voorlopers, maar Claire denkt dat de hele regio haar aanpak de komende jaren overneemt. „Daar is geen houden aan.”

Het heeft onverwachte bijeffecten. Het grenzeloze zelfvertrouwen van Amerikaanse pubers krijgt een opdoffer op hun reizen naar China. Tijdens haar eerste bezoek, vertelt Melissa Coleman, een springerige zeventienjarige, was het schokkend te merken hoe goed haar Chinese leeftijdgenootjes het Engels beheersen. En hoeveel ze van de Verenigde Staten wisten. „Man, ik voelde me een totale nono.”

Niet iedereen kan wachten op de volgende generatie. De woestijnstad Lancaster (150.000 inwoners), een uur rijden noordelijk van downtown, heeft zo’n hoge economische nood – de werkloosheid is er 17,5 procent – dat de stad inmiddels een locoburgemeester heeft aangesteld, de in Hongkong geboren Kit Yee Szeto, die zich permanent bezighoudt met het aantrekken van Chinese bedrijven. „Wij hebben geen alternatief”, zegt Szeto. „Zonder Chinees geld redden wij het hier niet meer.”

Het gevolg is dat zij, zegt ze, de helft van haar tijd in China doorbrengt om investeerders te bewerken. „Ik ken de Chinese cultuur en taal. Ik heb de contacten”, zegt Szeto. Het komt er in de praktijk op neer, zo blijkt, dat ze in China smeekt om investeringen. De omgekeerde wereld. De stad is de laatste jaren al volgebouwd met zonnepanelen van Chinese technologie. En Chinese investeerders krijgen de grond gratis aangeboden. „We staan open voor elke deal.”

De zakelijke mores van LA worden van oudsher bepaald door de entertainmentindustrie met haar staalharde kapitalistische cultuur. Vandaag een wereldster, morgen opgebrand – zo is het hier altijd geweest. Ook na de grote recessie van 2008, die rond LA een spoor van vernieling trok op de arbeids- en huizenmarkt, was er weinig behoefte aan een grotere rol van de overheid. Er stak een nog rauwer kapitalisme de kop op.

Beleggen in ongeluk raakte in. In Beverly Hills werd het beleggingsfonds Balance Point Divorce Funding gelanceerd. Het schiet de kosten van een echtscheiding voor: de advocaat, de tijdelijke woning, de privédetective, etcetera. In ruil ontvangt Balance Point later een deel van de boedelscheiding. Gegarandeerd bingo voor de belegger, zegt initiatiefneemster Tracy Napp.

En op Skid Row, de daklozengemeenschap van downtown, maakt een Aziatische hulpverlener school die het zwerversprobleem verklaart uit een gebrek aan durfkapitaal. En dus besteedt Joel John Roberts van PATH (People Assisting The Homeless) zijn tijd aan het opzetten van een housing trust fund om de zwervers van downtown onderdak te bieden. Een sprookje? Nee hoor, redeneert Roberts: huizen zijn door de recessie spotgoedkoop en alle zwervers hebben een verborgen talent. „We laten de markt gewoon zijn werk doen.”

In Echo Park, even buiten downtown, legde Alfred Lomas (46) me op een regenachtige zaterdag uit dat er zelfs geld is te slaan uit de zwartste kant van LA: de bendeoorlogen. Lomas weet daar vrij veel van. Hij was vanaf zijn jonge jaren lid van Florencia 13, gangsters die ‘beschermingsgeld’ eisen van drugshandelaren en berucht zijn om het geweld waarmee ze Afro-Amerikanen uit de drugsmarkt drukken. Lomas leerde elk aspect van dat leven kennen. Hij leerde moorden om te moorden. De politie haalde hem van de straat, corrupte agenten lieten hem weer gaan. Uiteindelijk kreeg hij een veroordeling voor drugshandel, daarna nog een. Toen hij in 2004 net weer vrij was en stoned door downtown zwalkte, bracht een evangelist hem in contact met God. Hij ging werken in een opvangcentrum voor ex-bendeleden in Echo Park, en bemiddelde in bendeoorlogen. Lomas bleek er bijzonder vaardig in: het ettertje van weleer werd een lieveling van de lokale politie.

Vorig jaar kwam hij op het idee zijn kennis van bendeoorlogen te gelde te maken: Lomas begon het bedrijfje LA Gang Tours, dat toeristen in bussen rondleidt langs de delen van de stad waar de oorlogen gaande zijn. Hij is er steenrijk mee geworden. Toeristen betalen 65 dollar per rit. „Inclusief lunch”, gniffelt hij. En hij is nu bekend in de hele wereld – overal wordt hij gevraagd voor bemiddeling tussen drugsbendes.

Lomas gebruikt zijn nieuwe status om aandacht te vragen voor kinderen in wijken die door bendeoorlogen worden gedomineerd. Zo rondde hij onlangs met opbouwwerker Susan Rice (een nicht van Condoleezza) een onderzoek af waaruit blijkt dat 30 procent van de kinderen in South Central, de beruchtste wijk van LA, lijdt aan vormen van posttraumatische stress die vergelijkbaar is met die van militairen teruggekeerd uit oorlogsgebied. De stad was even geschokt, Lomas niet. „Het leven van die kinderen is al fucked up voordat ze een stap in de kleuterklas zetten.”

Zijn ervaring is een belangrijke les, zegt hij, voor andere idealisten: om als weldoener geaccepteerd te worden, moet je in LA de rol van pure kapitalist spelen. „My friend”, fluistert hij, „die tour is de beste truc die ik ooit heb bedacht.” Jaren stak het stadsbestuur geen vinger uit naar de bendeoorlogen. „Nu moeten ze wel.”

De extreme verharding van het economisch klimaat in de regio sluit aan bij de nieuwe werkelijkheden die China creëert. Zo vertelt burgemeester R. Rex Parris van Lancaster over de tot nu toe mislukte pogingen van zijn stad een fabriek van BYD aan te trekken, fabrikant van de eerste Chinese elektrische auto. Parris vergezelde zijn locoburgemeester een paar keer op dienstreis naar China en hij keerde terug met een diepe overtuiging: „Alleen in China bestaat het echte kapitalisme nog.”

En dus zullen de VS zich volgens hem opnieuw moeten uitvinden. Amerika is onder invloed van Europa te veel verzorgingsstaat geworden. In New York vinden ze het vast nog steeds prachtig, smaalt hij, maar aan de Westkust is allang duidelijk dat het niet meer te handhaven is. Chinezen werken harder, langer en goedkoper. „Als wij iets leren van onze contacten met China”, zegt hij, „is het dat wij moeten ophouden sociale problemen via de overheid op te lossen.” De keuze is niet ingewikkeld. Als de regio rond LA het huidige welvaartspeil wil handhaven, moet het bedrijven als BYD aantrekken, legt hij uit. Maar Chinese fabrieken vestigen zich volgens hem nooit in de VS als ze zorgpremies en andere sociale verzekeringen moeten opbrengen. „Dus die luxe zullen we wel móeten opgeven.”

Zo brengt LA de Aziatische werkelijkheden Amerika binnen en de effecten dringen in steeds meer sectoren door. Om dicht bij huis te blijven: ook de positie van traditionele media en klassieke journalistiek komt er verder door onder druk te staan. Arianna Huffington stak dit jaar haar concurrenten de ogen uit door de links-liberale The Huffington Post, in 2005 in LA ontwikkeld, voor ruim 300 miljoen dollar te verkopen. Het format van HuffPo – het beste van het web aangevuld met bloggers en een beetje eigen journalistiek – werd de voornaamste concurrent van de journalistieke reus uit de Oostkust, The New York Times. Maar de nieuwste ontwikkeling in onlinejournalistiek is alweer in aantocht – en niet toevallig is ook die in LA geboren.

James MacPherson oogt allerminst als de man die, volgens zijn critici, het einde van de traditionele journalistiek in gang heeft gezet. Een oudere heer (55) op spekzolen. Ik ontmoet hem in een koffiebar in Pasadena, een voorstad van LA waar hij al zijn hele leven woont. „Zo”, zegt hij met de kin vooruit. „Zit je dan eindelijk tegenover het monster zelf.”

Drie jaar terug zette hij de zeven verslaggevers van zijn lokale krant, de website Pasadena Now, op straat. Sindsdien laat hij het plaatselijke nieuws verslaan door copywriters in New Delhi en Manilla. Hij betaalt ze 3 tot 6 dollar per artikel. En 5 dollar voor het bewerken van een video. De verslaggevers kostten 800 dollar per week.

Hij is niet altijd uitgever geweest. Eerder was hij modeontwerper, typograaf en reclamemaker. Schitterende bedrijven, zegt hij, die stuk voor stuk over de kop gingen. Geen punt. „Zekerheden zijn er om bestreden te worden.”

En nu is dan de traditionele journalistiek aan de beurt. De gemeente zendt de raadsvergaderingen op webvideo uit. Je hoeft echt niet meer in Pasadena te zijn, zegt hij, om een verslag te schrijven. Skype is gratis. Beeld van ongelukken, opstootjes, bedrijfsopeningen en sportwedstrijden staat bijna meteen online. „Het aanbod is immens. En gratis.”

Hij heeft ook de nieuwsselectie geautomatiseerd. Via het programma Amazon Mechanical Turk leggen zijn copywriters vanuit India of de Filippijnen Amerikaanse burgers een transcriptie of integrale video van een bijeenkomst voor. Die burgers bepalen welke elementen het belangrijkste zijn. Ze hebben na een paar uur standaard meer dan honderd reacties binnen. „Kan geen journalist tegenop.”

En op zijn oude dag heeft hij moeten leren leven met nieuwe Aziatische regels. De nieuwstoevoer van Pasadena Now valt stil op elke vrijdag de dertiende – dan weigeren zijn copywriters te werken. Iets soortgelijks gebeurt op Diwali, het Indiase ‘lichtjesfeest’ in het najaar. En hij weet inmiddels ook dat werken met Indiërs nadelen kan hebben. Ze beginnen op de deadline te onderhandelen over hun loon, wat ertoe leidde dat hij nu vooral met Filippijnse copywriters werkt. „Die zijn gedienstiger.”

Toen MacPherson in 2008 begon, was de respons uit de beroepsgroep sceptisch en agressief. Hij zou geen oog hebben voor de creativiteit van hun werk en de beperkingen van het aanbod op internet niet zien. Hij gaat sindsdien nog zelden in op interviewverzoeken. Twee jaar terug liet hij zich nog eens verleiden tot een toespraak op de gerenommeerde journalistenopleiding aan de Columbia universiteit in New York. „Ik geloof niet dat ik één zin heb kunnen afmaken.” Lezers, zei hij daar, hebben helemaal geen behoefte aan „zogenaamd creatieve” journalisten. „Verslaggevers moeten registreren, niet excelleren.”

Inmiddels ziet hij dat talloze uitgevers en persbureaus onderdelen van zijn model overnemen. Het wil niet zeggen dat hij alle dagen jubelt. Het niveau van zijn favoriete publicaties – The New York Times, The New Yorker, Wired – zou drastisch dalen, beaamt hij, als ook zij zijn werkwijze moeten kopiëren. „De expertise en het feitenonderzoek van die redacties bevindt zich op een veel te hoog niveau voor mijn copywriters.”

Een dag eerder, na onze rondrit door downtown, parkeerde makelaar Josh Buxbaum zijn sportautootje aan de rand van het Arts District, vlakbij de daklozen op Skid Row. Na al zijn opbeurende verhalen over downtown vertelde Buxbaum over zijn eerste jaren in LA, toen hij nog verwachtte dat hij van kindster kon uitgroeien tot serieuze acteur. Hoe miezerig hij zich voelde toen dat mislukte. En hoe hij de essentie van LA ontdekte: dat al die eindeloze experimenten in deze stad het product zijn van mensen die hun vorige mislukking aan het uitwissen zijn.

Buxbaum nodigde me uit voor een lunch in een Urth Cafe, een koffieketen van nieuwe rijken uit Beverly Hills waar zelfs de sesamkoekjes, de chocoladetaart en het Zwitserse water gegarandeerd biologisch zijn. Het feit dat er nu ook een Urth Cafe in downtown is, vertelde hij, betekent dat de arrivés greep op dit deel van de stad beginnen te krijgen.

„Het zal nog niet meevallen het pioniersgevoel vast te houden”, zei hij. „Er moet wel ruimte voor mislukkelingen blijven, natuurlijk.”

Dit is de laatste bijdrage van Tom-Jan Meeus als correspondent in de Verenigde Staten. Hij wordt politiek redacteur. Guus Valk volgt hem na de zomer op als correspondent.