Na de maanlanding

Kunt u zich de maanlanding nog herinneren? De korrelige zwart-witbeelden laat in de nacht met commentaar van ‘Apollo Henkie’ Terlingen? Als dat zo is, dan heb ik slecht nieuws: net als ik, staat u aan de verkeerde kant van de generatiekloof.

Ik bevond me laatst in een gezelschap van enkele invloedrijke politici en industriëlen, toen een van hen opmerkte: “Grappig, niemand van ons heeft bewust de maanlanding meegemaakt.” Ik noemde maar niet mijn verzameling plastic raketjes. Het schijnt een universele ervaring te zijn: je bent altijd de jongste, totdat je ineens de oudste bent.

Is de wetenschap een vak voor jonge mensen? Daar wordt verschillend over gedacht. Zo is de theoretische fysica traditioneel het domein van briljante jongemannen. Knabenphysik heette dat, toen 25-jarigen als Heisenberg, Pauli en Dirac spelenderwijs de wetten van de quantumtheorie ontdekten. Er werd toen zelfs over de vloek van de jeugd gesproken. Als je niet iets belangrijks vóór je dertigste had gedaan, was alle hoop verloren. In het naburige veld van de wiskunde is deze jeugdcultus zo mogelijk nog groter en levendiger. De Fieldsmedaille, het mathematisch equivalent van de Nobelprijs, kun je alleen voor je veertigste winnen.

In de humaniora wordt juist de ouderdom gecultiveerd. Een brede geschiedschrijving of alomvattende biografie schrijft men pas op rijpere leeftijd. De ware geesteswetenschapper is als een chique wijn die pas na lange tijd goed op dronk komt. De jonge jaren mogen nuttig zijn voor voorbereidend detailwerk, het grote overzicht komt pas later.

Volgens mij zijn dergelijke cultuurverschillen charmant, maar grote onzin. Er zijn genoeg briljante jonge alfa’s en ook bèta’s kunnen elegant oud worden. Zo bleef de Oostenrijkse wiskundige Leopold Vietoris (1891-2002) tot het einde van zijn lange leven actief. Toen hij 104 werd, kreeg hij zelfs een uitnodiging zich te melden bij de plaatselijke kleuterschool – de computer had alleen naar de laatste twee cijfers van zijn geboortejaar gekeken.

Natuurlijk, de aard van de prestaties verandert met de jaren, maar dit geldt zowel voor de fysicus als de historicus. In het begin van de loopbaan is er de laserstraal die dwars door barrières heen kan boren, aan het einde de diffuse gloed van het weidse vergezicht. Maar beide lichtbronnen kunnen even briljant als zwak schijnen.

Toch is statistisch gezien de wetenschap vooral iets voor jonge mannen én vrouwen. De bevolkingsopbouw is een piramide met een zeer brede basis en een uiterst smalle top, zeker als we de honderdduizenden universitaire studenten meetellen. Als Academia een land was, zouden politieke commentatoren zich ernstig zorgen maken over de dreigende demografische instabiliteit. Wanneer gaan promovendi en postdocs de straat op?

Uit dat enorme reservoir van jeugdig enthousiasme wordt maar matig getapt. De inspraak die studenten in de jaren zestig hebben veroverd, is gemakkelijk bij het bestuurlijke grofvuil gezet. Jeugdig idealisme en gebrek aan ervaring zouden maar afleiden van professioneel management. Dat is jammer, want juist de jongere generatie onderzoekers neemt de ambities voor de kenniseconomie serieuzer dan menig politicus.

De Hongaarse wiskundige Raoul Bott (1923-2005) vertelde altijd met smaak hoe hij als kind pas als laatste een koekje van de schaal mocht pakken, wanneer de volwassenen alle lekkere al hadden gekozen. Later, toen hij zelf grootvader was, waren de rollen precies omgekeerd. De kleinkinderen hadden nu de eerste keus en Bott kwam weer als laatste aan de beurt.

In het hoger onderwijs dreigt een omgekeerde versie van de koekjesschaal van Bott. De generaties die in de revolutionaire jaren als eerste mochten kiezen, krijgen veertig jaar later weer de eerste keus. Zij genieten van eerdere investeringen in onderwijs en onderzoek, de jongeren van nu moeten het doen met kruimels. Voor hen geen ‘giant step’.

Maar er is hoop. Gelukkig geldt voor instituties, anders dan voor personen, dat een hoge leeftijd vaak een voorbode is van een lange toekomst. Ik troost mij met de gedachte dat de takken van de wetenschap even ver de lucht in reiken, als de wortels diep onder de grond gaan. De kunst is die oude tradities met de moderne tijdgeest te verbinden.

Dat laatste was aan de wiskundige Bott welbesteed. Hij was een tijd master van een van de ‘huizen’ in Harvard. Deze zijn gemodelleerd naar de eeuwenoude colleges van Oxford en Cambridge, maar een stuk informeler. Wel eikenhouten lambrisering in de eetzaal, maar ook een Coca Cola-automaat en een vriezer vol waterijsjes. Er bleek een zustercollege in aartsrivaal Yale te zijn waarmee de banden ernstig waren verwaarloosd. Toen de collega’s voorstelden weer eens op bezoek te komen, rook Bott zijn kans. De afgeleefde cafetaria werd speciaal voor die gelegenheid ingericht als een paleiszaal, compleet met kroonluchters, lakeien en een groot orkest. De studenten droegen toga’s en Bott een speciaal kostuum uit de toneelwinkel. Toen de delegatie uit Yale aankwam, vroeg Bott zonder een spier te vertrekken waar hún toga’s waren. Bij intree in de eetzaal schalden de trompetten en men nam plaats aan een speciaal gebouwde high table. Het orkest speelde de hele avond. Misschien wel Fly me to the moon.