Musea moeten meer samenwerken

Axel Rüger:

Ik zit in een bevoorrechte positie. Het zijn heftige bezuinigingen, maar ik heb veel minder met subsidie te maken dan mijn collega’s. Het Van Gogh Museum haalt het overgrote deel van zijn budget, 75 procent, al uit eigen inkomsten: kaartverkoop, commerciële inkomsten en sponsorgelden. De omgang met marketing is voor ons al langer van groot belang. Wij hebben onze uitdaging gehad bij het begin van de financiële crisis, toen het toerisme dreigde in te klappen en we maatregelen moesten nemen. Bovendien worden musea in verhouding ontzien.

Wel worden wij op één van onze kerntaken, onderzoek, gekort. Naast onze collectie beheren en exposities maken is dat van cruciaal belang. Onderzoek is nodig voor de ontsluiting van werken. Dat moet volgens het kabinet ondergebracht worden bij een paar musea. Wij zijn op dat vlak juist bijzonder actief, onlangs nog brachten we een grote uitgave van de brieven van Van Gogh en volgende week presenteren we een catalogus en een tentoonstelling die nieuw licht werpen op een belangrijk deel van onze Van Gogh-collectie. Weer een mijlpaal in onze onderzoeksgeschiedenis. We gaan kijken hoe we daar geld voor kunnen blijven vinden, we hebben nu eenmaal de functie van kennisinstituut. Op onderzoeksgebied werken we al samen met private partijen. Shell is onze partner voor onderzoek naar de atelierpraktijk van Van Gogh.

Ik kan geen uitspraken doen namens het museale stelsel, laat staan namens de hele kunstsector, want de situaties zijn te verschillend. Maar we zijn wel één sector en ik voel me verantwoordelijk en ik engageer me, bijvoorbeeld in de Vereniging van Rijksgesubsidieerde Musea en in het bestuur van belangenorganisatie Kunsten 92. We moeten zeker tot nieuwe manieren van samenwerken komen in de museumsector, daar werken we aan met de vereniging, maar het is heel complex en voordat je substantiële winst haalt uit samenwerking, heb je veel tijd nodig.

Wat me opvalt is de negatieve toon van het debat, dat heb ik in andere landen niet meegemaakt. De vraag wordt gesteld wat de rol überhaupt is van publieke financiering. Er ontstaat een nieuw paradigma, waarna de overheid de financiering van een culturele infrastructuur niet meer als haar taak ziet. De negatieve toon daarbij maakt het moeilijk voor instellingen om het bedrijfsleven te interesseren. Eigenlijk zegt de overheid: we hebben niet veel vertrouwen in de kunstsector. En in de volgende zin: particulieren moeten bijspringen.

Sowieso kan de particuliere sector niet zomaar overnemen wat het Rijk straks niet meer doet. Particulier geld gaat naar specifieke projecten. Je moet projecten verzinnen die interessant zijn en een partner die dat ook interessant vindt. Zo wisten we Citroën te interesseren voor een Picasso-tentoonstelling. Je voelt dat de concurrentie om die gelden sterker wordt. En er wordt veel te weinig tijd voor uitgetrokken.

Ik had gewild dat de overheid zei: we moeten stevig bezuinigen, we zitten in moeilijke tijden, maar kunst en cultuur zijn voor ons van groot belang.