Modemeubels

Modehuizen kunnen niet meer zonder meubellijn. En wat is een betere plek om die meubels te verkopen dan een eigen hotel?

Het is druk in Palazzo Versace aan de Australische Gold Coast. Niet alleen wat klandizie betreft, maar vooral qua decor. Dit uitermate luxueuze hotel is ingericht door Donatella Versace, de zuster van de in 1997 vermoorde modeontwerper Gianni die tijdens zijn leven furore maakte met veelkleurige en glamoureuze kledij. Niet minder beroemd was hij om zijn eigen levenswijze, vol overdadig ingerichte woonpaleizen in neoclassicistische stijl.

Vijf jaar voor zijn dood begon hij voorzichtig een eigen Home Collection, eerst alleen met beddengoed en kussens, later uitgebreid met serviezen en bestek en andere interieuraccessoires en uiteindelijk gevolgd door meubels. Donatella breidde dit na zijn dood verder uit en bedacht iets nieuws: waarom zijn woonstijl met al zijn spullen niet gebruiken voor een eigen hotel? Want is een hotel niet de beste showroom voor al deze zaken? Zie daar het Palazzo (volgend jaar gevolgd door een filiaal in Dubai).

Verblijven in het Palazzo is omringd worden door meandervormen en Medusakoppen (Gianni’s handelsmerk), die je overal aankijken, vanaf de bodem van het tandenpoetsglaasje op de wastafel tot en met de kussenslopen. Alles is een Versaceproduct en alles is van bladgoud of fluorescerend gekleurd en immer heftig gedessineerd („Ik haat beige”, roept Donatella frequent, „en ik ben ook geen groot voorstander van effen”) en alles is te koop.

De peper- en zoutvaatjes in het restaurant (in de vorm van Dorische zuiltjes) zijn dermate geliefde steelobjecten dat de ober ze geen seconde uit het oog verliest; heb je het zout op je ontbijteitje gestrooid, neemt hij ze meteen weer in (ze kosten 110 dollar in de hotelshop). „Voor het in productie komt, test ik eerst alles zelf uit”, vertelde Donatella bij de opening. „Ik moet toch weten of een bank de juiste maten heeft om er als vrouw met hoge hakken gracieus languit op te kunnen liggen.”

Salvador Dali

Modeontwerpers die op interieurpad gaan zijn geen nieuw fenomeen, en Donatella was zeker niet de eerste. Paul Poiret, de legendarische modekoning uit het begin van twintigste eeuw, fabriceerde al meubel- en gordijnstoffen, en haute-couturekoningin Elsa Schiaparelli (1890-1973) ontwierp samen met Salvador Dalí bizarre canapés, kamerschermen en kroonluchters. Ook Pierre Cardin was een pionier op dit vlak: al in 1982 opende hij in Parijs hotel Residence Maxims dat helemaal was ingericht met door hem ontworpen meubels. Maar het waren nog zijsprongen, niet direct bedoeld om commercieel een rol te spelen.

Dat veranderde begin jaren tachtig van de vorige eeuw, toen vooral Amerikaanse designers er brood in gingen zien. Het was de tijd waarin mode op zich niet meer afdoende was; er moest een Umfeld omheen worden gecreëerd, een lifestyle; het karakter en het privéleven van de ontwerper werd volop in de pers gegooid opdat men een connectie met hem kon krijgen, een affiniteit, een bijna persoonlijke band. Voelde je je senang in zijn kleren, dan toch ook tussen zijn lakens of op zijn bank?

Er speelden tegelijkertijd ook andere dingen: het predicaat design werd een hot item; design dat leeft bij de gratie van een bekende designer. Alle producten moesten ineens een ‘gezicht’ hebben, een bekend gezicht, een signatuur. Anonimiteit werd verdacht, bijna synoniem voor slechte kwaliteit. Parfums verkochten niet meer zonder de associatie met een beroemde filmster, een pollepel was geen pollepel als die niet was voorzien van de handtekening van Philippe Starck.

Ralph Lauren was een van de eersten die deze verschillende tendensen middels een eigen verhaal (het imago van klassiek Amerika) geniaal wisten te combineren en te vertalen in zijn handelswaar. Ralph Lauren beddengoed, boekenkasten, tapijten, borden en glazen, behang en zelfs verf, het vloog de winkel uit, soms sneller dan zijn kleding. Vorig jaar was zijn Home Collection goed voor een omzet van ruim 1 miljard dollar, meer dan een kwart van zijn totale imperium.

En wie zich toen niet thuis voelde bij zijn wereld van all American kakkers, kon als modernist terecht bij de frisse eenvoud van Calvin Klein. Later kwam daar het zen-chic bij van Giorgio Armani, wiens Armani Casa collectie (met honderden verkooppunten en een eigen hotel) ook een miljardenomzet behaalt.

Zonder overdrijving kun je stellen dat er tegenwoordig weinig modehuizen zijn die er niet aan doen. Diesel, Christian Lacroix, Hugo Boss, Jean-Paul Gaultier, Sonia Rykiel, Kenzo, Maison Martin Margiela, Pierre Cardin, Fendi, Missoni, Moschino, Levi’s, Mulberry, K-Swiss, Krizia, Karl Lagerfeld, Oscar de la Renta, Dsquared, Paul Smith, en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Zelfs de dood hoeft geen struikelblok meer te zijn: postuum zijn er tapijten van de vorig jaar overleden Alexander McQueen uitgebracht, met dermate succes, dat men bezig is onder zijn naam een hele interieurlijn op te zetten.

Bizarre uitwas

De financiële belangen die hierbij spelen zijn zo groot, dat LVMH, ’s werelds grootste conglomeraat van luxueuze merken (waaronder meubelproducerende modemerken als Fendi, Pucci, Donna Karan en Loewe), een deal heeft gesloten met de Arabische holding Orascom om een tiental hotels te openen, waarin de eigen collecties natuurlijk fijn kunnen worden geëtaleerd zoals – in navolging van Versace –, ook Bulgari, Armani, Diesel, Levi’s, Missoni, Lacroix enz. hebben gedaan.

Meest bizarre uitwas in deze mode/meubel/hotelopmars is het verhaal van Elisabetta Gucci (nazaat van het gelijknamige Italiaanse leermerk), zelf meubeldesigner van beroep. Zij verkocht haar naam aan een ondernemer die een nieuwe Gucci-hotelketen wil openen, natuurlijk gevuld met de Gucci-meubelcollectie. Maar het Franse PPR, eigenaar van het ‘echte’ Gucci, meent hierdoor tevens eigenaar te zijn van haar achternaam, dus probeert nu via de rechtbank haar het recht te ontnemen hiervoor haar eigen naam te gebruiken. Achterliggende gedachte is natuurlijk dat ook PPR – de grootste concurrent van LVMH – zelf wil beginnen. Inderdaad: Guccihotels.