Met rug naar de wereld

Het was vorige maand een opmerkelijke oprisping van de premier van Nederland. Terwijl zijn collega’s in het buitenland zich met de staatsschuldcrises in Europa bezighielden, zei minister-president Rutte op zijn wekelijkse persconferentie na afloop van de ministerraad onbekommerd: „Ik heb zelf niets met Griekenland.”

Griekenland maakt sinds 1981 deel uit van wat aanvankelijk nog de Europese Economische Gemeenschap (EEG) heette maar inmiddels is uitgegroeid tot de Europese Unie (EU), waarin de 27 lidstaten intensief met elkaar samenwerken. Maar met één van die partners in Europa heeft de premier van de Nederlandse regering dus niets. En hij is niet de enige, zo lijkt het. Bij een debat over de nieuwe noodhulp voor Athene deze week in de Tweede Kamer haastten veel woordvoerders zich om, voorzover ze niet mordicus tegen waren, duidelijk te maken dat elke euro extra voor de Grieken puur nationaal eigenbelang was.

Beter had de gewijzigde houding van Nederland tegenover het buitenland niet geïllustreerd kunnen worden. Hoe anders sprak Ruttes VVD-partijgenoot Van der Klaauw toen hij als minister van Buitenlandse Zaken in 1980 de toetreding van Griekenland in het parlement verdedigde. Van der Klaauw maakte toen juist een „principiële keuze” voor een „open Gemeenschap waarin ook plaats is voor landen met een ander niveau van economische ontwikkeling en met eigen karakteristieke trekken ten aanzien van maatschappelijke, administratieve, politieke en godsdienstige structuur”.

Europa als opdracht. Het huidige kabinet, dat net als in 1980 overigens wordt gevormd door VVD en CDA, heeft er weinig mee op. Dat blijkt ook weer eens uit de reactie van minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) op het besluit van de Europese Commissie om Kroatië met ingang van 2013 tot de Unie toe te laten. Maar Nederland is zover nog niet. Eerst moeten daar de hervormingen aangepakt worden. „Wij doen niet aan kalenderfixatie”, aldus Rosenthal.

Natuurlijk is het goed dat Nederland strikt vasthoudt aan naleving van de toelatingseisen. Maar dat moet de Europese Commissie evenzeer doen. Dit soort opmerkingen lijkt dus vooral bedoeld om de weerzin van Nederland jegens nieuwe lidstaten van de EU te bevestigen.

Consequent is de regering overigens niet. Vorige week besloot het kabinet de Nederlandse bijdrage aan de NAVO-actie in Libië niet uit te breiden maar op het huidige, ingehouden niveau te continueren. Maar deze week klaagde Rosenthal dat ook Duitsland, Frankrijk en Italië met de erkenning van de rebellenraad hun eigen weg gaan. Wat wil Nederland eigenlijk zijn in EU en NAVO: een bescheiden, een actieve, een wispelturige, een introverte of een egocentrische bondgenoot?

Hoe dan ook, de vanzelfsprekendheid van Nederland met de wereld is minder geworden. Dat wordt ook weerspiegeld in de inkrimping van het netwerk van diplomatieke posten die binnenkort gaat beginnen. Tien van de 150 ambassades staan op de nominatie te worden gesloten. Een kritische blik is gezond. Zeker nu een begin wordt gemaakt met een Europese diplomatieke dienst moet er kritisch worden gekeken naar het nut en de noodzaak van een aantal posten.

Tegelijkertijd wil het kabinet meer accent leggen op economische diplomatie en handelsbelangen. Juist op dit bij uitstek concurrerende terrein moet niet te veel worden verwacht van samenwerking in de EU. Bovendien blijft Nederland zichzelf graag afficheren als de behartiger bij uitstek van de internationale rechtsorde. Dat verplicht eveneens.

De recente ontwikkelingen in het Midden Oosten bewijzen weer eens het belang van kennis en contacten ter plekke die niet direct in dienst staan van handelsbelangen. Een moderne diplomatieke dienst heeft ook hier aandacht voor. En dat begint bij een premier en een minister die dit erkennen.