Lawaai

Een jaar of dertig geleden las ik in de Frankfurter Allgemeine Zeitung een klein essay waarin de schrijver de stelling verdedigde dat de Rechten van de Mens moesten worden uitgebreid met het Recht op Stilte. Misschien had hij overgevoelige trommelvliezen. Het openbaar lawaai was toen nog maar een fractie van wat het nu is. Maar ik was het met hem eens. Ik dacht aan onze buren toen ik een kleine jongen was. Deze mensen hadden een pianola, een automatische piano die de muziek eruit rammelde. Ze zetten het ding aan als ik in bed lag. Ik dacht: ik wou dat ik een kanon had. Dan zou ik het kreng aan splinters schieten. Dat is mijn vroegste ervaring met wat we tegenwoordig geluidsoverlast noemen.

Ik schrijf dit stukje op een stil eilandje in de Middellandse Zee, luister naar het gekabbel van de branding. Verderop zitten een paar mensen gedempt te praten en nog veel verder is iemand de vaat aan het wassen. Vrede. Daar hoor ik een aanzwellend bom, bom, bom. Het komt uit het open raam van een auto. Achter het stuur een jongeman die met een quadrofone geluidsinstallatie zijn aanwezigheid zit te bewijzen. Niets bijzonders. Dat heb je in alle grote steden, maar hier valt het op. Het lawaai krijgt reliëf. Je beseft weer waaraan je in de beschaafde geïndustrialiseerde wereld dagelijks wordt blootgesteld.

Wanneer is de luidspreker uitgevonden? Ik ga het niet opzoeken. De digitale verbindingen haperen hier; het duurt een kwartier voordat ik in de Wikipedia ben. Maar wat een uitstekend woord. Luid-spreker. Speak softly, carry a big stick, zei Theodore Roosevelt. Hij had dat apparaat niet nodig. De eerste machthebber die zijn opkomst aan de luidspreker te danken heeft is Adolf Hitler. En laten we Joseph Goebbels niet vergeten. Ik bedoel daar niets onaardigs mee, maar een driekwart eeuw later is de hele politiek zonder luidspreker niet meer denkbaar.

Ik dwaal af. Dit stukje gaat over het moderne lawaai. Als je aan een achtbaanssnelweg woont, bijvoorbeeld tussen Amsterdam en Utrecht, ben je dag en nacht blootgesteld aan het verscheurend kabaal van de verkeersstroom. Dat is ondraaglijk. Daarom heeft de overheid geluidwerende schotten neergezet. Kilometers lang. Vroeger kon je naar de weilanden, de knotwilgen, de koeien, de boerderijen kijken. Of je ervan hield of niet, het was in ieder geval rustiek. Nu rij je door een grijze sleuf. Maar in ieder geval heb je de radio aan, misschien wel de klassieke Radio 4 met het gekakel van de omroeper die je wil laten meedoen aan een taartenquiz of nootschieten. Gooi een atoombom op Hilversum. Dat is een regel uit het gedicht van Max de Jong, Heet van de naald, kort na de oorlog verschenen. Toen al.

Misschien wel dertig jaar geleden werden de eerste gevallen van walkmandoofheid gesignaleerd. Bestaat de walkman nog? Dat kleine apparaatje waarin je een geluidsbandje stopte, waarvan je via je koptelefoon kon genieten. Je zag de liefhebbers in het openbaar vervoer. Ze bewogen ritmisch met hun hoofd en schouders en er drong ook een zwak geluid door tot de buitenwereld. Dat klonk als een aanlopend fietswiel. In die tijd kwam ook de draagbare radio in de mode. Zo hard mogelijk aanzetten! In de New Yorkse subway verschenen bordjes met de tekst No smoking, no spitting, no radioplaying. Roken, spugen, lawaai onder één noemer. Al dit gereedschap hoort nu tot het stenen tijdperk van het neomoderne hyperlawaai.

Met de digitale revolutie is het lawaai maken aanmerkelijk gemakkelijker en ook veelzijdiger geworden. De geluidsapparaatjes waarmee je nu via je oordopjes naar de muziek luistert wegen misschien een tiende van de oude walkman, hebben een vijfde van de omvang en je kunt ze veel harder zetten. Het ritmisch bewegen van de genieter is niet veranderd. En dan heb je de iPhone waarmee je op internet desnoods de hele wereld kunt uitschelden zonder er verder zelf last van te hebben. Digitaal schelden is een geluidloze vorm van lawaai maken en ook op deze manier bewijst de eigentijdse mens zijn unieke aanwezigheid op aarde.

Laten we de sportwereld niet vergeten. Als de nieuwe sportmens iets opmerkelijks heeft gedaan, doelpunt gemaakt, wedstrijd gewonnen, laat hij de wereld weten wat er ‘door hem heen gaat’ door zijn mond zo ver mogelijk open te trekken om de oerschreeuw te laten horen. De tennissers Nadal en Federer zijn volgens mij de besten. Voetballer Klaas-Jan Huntelaar is ook heel goed. Ik weet waar ik het over heb want ik heb een fotoverzameling van schreeuwen aangelegd.

Deze week las in in de internetkrant nu.nl dat het afgelopen jaar in Nederland 700 mensen door ‘geluidsoverlast’ zijn gestorven. Dat is verschrikkelijk nieuws. Verder weet ik er niets van, want toen sprong er een reclame voor nagellak op mijn scherm en daarna werd de verbinding verbroken. In de tijd van de Koude Oorlog sloot de KGB, de Sovjet geheime dienst, gevangenen op in een cel waarna ze 24 uur per dag aan onmenselijk lawaai werden blootgesteld. Een soort water boarding via de trommelvliezen. Intussen hebben wij een samenleving ontwikkeld waar oorverdoving tot het dagelijks leven begint te horen. We noemen het ‘geluidsoverlast’.