Laat banken en liefhebbers de kunsten maar redden

Worden kunsten gered door geredde banken?

Toen ‘we’ vorig jaar de banken hielpen om overeind te blijven, was dat niet alleen in het belang van de banken, maar in het belang van ‘ons allemaal’. Miljoenen Nederlanders zouden anders hun rekening kwijtraken. De hele economie zou instorten. Aan het voorkomen van deze catastrofe hebben alle Nederlanders bijgedragen, godzijdank. Nu staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) zijn doodvonnis heeft uitgesproken over de kunstsubsidies, treft dat niet alleen de culturele sector. Het treft ons allemaal. Cultuur is geen luxeproduct op de bovenste trede van Maslow. Het is een onmisbaar basisingrediënt van onze samenleving. Net zo catastrofaal als het instorten van de economie is het om zeep helpen van de kunstwereld. De overheid heeft besloten om de banken wel te helpen en de kunstwereld niet. Wat zou het toch te waarderen zijn als de banken zich dit zouden aantrekken, in het belang van de toekomst van ons allemaal.

Laat elke bank met een beetje eergevoel tenminste een orkest, toneelgezelschap of museum onder zijn hoede nemen. Heren directeuren, u kunt een mecenas worden! (Stelt u zich voor, dan komt u in één doorlopende lijn met de familie Medici, het Vaticaan en de Bourbons). Dat komt in de praktijk neer op een paar kerstpakketten, champagneborrels en bonussen minder per jaar. Als in één sector keihard wordt gewerkt, tegen minimale vergoedingen, constant blootgesteld aan (zelf)kritiek, dan is het wel in de kunst. Van de kosten van een enkel bedrijfsdinertje wordt een volledige theaterproductie gedraaid. Een klein bedankje kan er toch wel vanaf, aan ons allemaal?

Violette Baudet

Architect, Amsterdam

Topinstellingen worden helemaal niet ontzien

Met verbijstering las ik in deze krant van 11 juni dat staatssecretaris Zijlstra voorstelt om het Haagse Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) te doen samengaan met het Rijksmuseum, dat „in het advies van de raad [voor Cultuur] nog fors moest inleveren op zijn wetenschappelijke functie”, maar nu „met het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documenten [sic] een wetenschappelijk topinstituut [mag] ontwikkelen”. Dat klinkt alsof de kunstgeschiedenis vooruit wordt geholpen. Het is in werkelijkheid een bezuinigingsmaatregel. Die gaat in tegen de bedoeling om ‘topinstellingen’ te ontzien.

Het kan de staatssecretaris niet onbekend zijn dat kunst in belangrijke mate bijdraagt aan de uitstraling van Nederland. De bibliotheek, fotoverzameling, archieven en expertise van het RKD spelen een cruciale rol bij het onderzoek naar Nederlandse kunst, dat zijn weerslag vindt in tentoonstellingen en publicaties die de belangstelling ervoor levend houdt bij een breed, internationaal publiek.

Alleen al de verhuizing van de verzamelingen van de bestaande locatie van het RKD, door de koningin geopend in 2007, naar het Rijksmuseum lijkt een onmogelijkheid. Het zal evenzeer onmogelijk blijken om bij het samengaan van twee zo verscheiden instellingen het behoud en de ontsluiting van die verzamelingen te waarborgen. In het algemeen moet je vragen stellen bij de mogelijkheid om het kunsthistorisch onderzoek van de Nederlandse musea voornamelijk ‘uit te laten voeren’ door het Rijksmuseum.

Als andere musea hun ‘wetenschappelijke functie’ wordt ontnomen, verliezen ze de kennis om hun verzamelingen op een intelligente, aansprekende manier tentoon te stellen. Zo wordt aangestuurd op musea die het midden houden tussen pakhuis en etalageruit – en uiteindelijk hun betekenis verliezen.

Stijn Alsteens

Conservator van The Metropolitan Museum of Art in New York

Eerst kunstonderwijs afschaffen en dan dit

Een van de argumenten die staatsecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) aanvoert om op kunstsubsidies te korten, is dat voor kunst te weinig belangstelling bestaat.

Dat is een onbehoorlijk argument. Dat gebrek aan belangstelling heeft alles te maken met het ontbreken van kunstzinnige vorming in het onderwijs. Die kunstzinnige vorming is daar helemaal verdwenen, door toedoen van de overheid.

De school is de aangewezen omgeving om een begin van belangstelling en liefde te wekken voor kunst. Daardoor ontstaat later nieuw publiek. In het bijzonder tegenover kinderen die thuis nooit in de gelegenheid zijn om met kunst in aanraking te komen, is het de taak van de overheid om daarvoor zorg te dragen. Kunstzinnige vorming is minstens zo belangrijk als het bevorderen van het reken- en het taalonderwijs. Het beleven en beoefenen van kunst maakt ons tot betere mensen. Dat is heilzaam voor de samenleving. Het zou juist heel vanzelfsprekend moeten zijn dat de overheid kunst stimuleert en royaal subsidieert, in plaats van te beschimpen en te wurgen.

Jan Stroop

Zaandam

Laat kunstliefhebber zelf bijdragen aan kunst

Zoals verwacht kregen de kunstbezuinigingen veel kritiek. Ik vraag me af hoeveel criticasters de cultuurnota van staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) daadwerkelijk hebben gelezen. Op de inhoudelijke overwegingen van de staatssecretaris gaan zij nagenoeg niet in.

Het kabinet wil alleen subsidie verstrekken aan instellingen die onderdeel zijn van de landelijke culturele basisinfrastructuur en ondersteunt activiteiten van (inter-)nationaal belang. Dit is terecht. Het Rijk is verantwoordelijk voor zaken van nationaal belang. Als provincies en gemeenten het belangrijk vinden om culturele activiteiten van lokaal belang te ondersteunen, is het aan hen om deze te subsidiëren met hun eigen geld.

Ook kiest het kabinet voor een cultuursector die meer op eigen benen moet kunnen staan dan nu. Culturele instellingen zullen hun best moeten doen om publiek te trekken. Dit wordt bekritiseerd. Publieke belangstelling zou geen criterium mogen zijn om te bepalen of een kunstuiting van artistiek belang is. Toch is het natuurlijk niet bizar dat een instelling minimaal 17,5 procent en een podiumkunstinstelling minimaal 21,5 procent aan eigen inkomsten moet hebben om subsidie te krijgen.

Hieraan gerelateerd is de kritiek op de verhoging van de BTW op cultuur. Daarmee wordt een drempel opgeworpen om meer eigen inkomsten te genereren. Deze kritiek is terecht. Ook dit moeten we evenwel niet overdrijven. De BTW- verhoging betekent dat de eerste rang bij het Concertgebouworkest ongeveer zeven euro duurder wordt. Bij de goedkoopste kaarten gaat het om slechts twee euro. Ik kan me niet voorstellen dat liefhebbers zich hierdoor laten weerhouden van een concertbezoek.

Een laatste kritiekpunt is dat de cultuursector zwaarder wordt aangeslagen dan andere sectoren. Dit klopt. Een forse bezuiniging is nodig om de gewenste cultuuromslag in de sector te realiseren. Een lager bedrag zou waarschijnlijk alleen maar hebben geleid tot een kaasschaaf over de hele sector.

De meeste culturele instellingen hebben fondsen. Liefhebbers kunnen die steunen. Ik noem Vrienden van Scapino, Toneelgroep Amsterdam Minnaars en Vrienden van het Residentie Orkest. De bezuinigingen komen neer op zo’n 12,50 euro per Nederlander. Als alle criticasters zich bij hun favoriete instelling aanmelden, wordt een groot deel van de bezuinigingen al gecompenseerd.

Sander Meijboom

Rotterdam