Krater in zicht

De vulkaankrater Trou Natron is een van de grootste attracties van de Sahara. Gerbert van der Aa trotseerde de mijnen.

Met een spiedend oog speurt gids Salah Kalia de horizon af. In het weidse woestijnlandschap doemen steeds meer acacia’s op. We naderen Gouri, een van de weinige putten in de wijde omtrek. „Hier leven gazellen”, zegt Kalia. „Hopelijk kunnen we er een vangen, zodat we vanavond een lekker stuk vlees te eten hebben.” Het water staat Kalia al in de mond. Na de pasta met tomatensaus van de afgelopen dagen heeft hij behoefte aan wat anders.

De jacht op gazellen is populair in de Sahara. Officieel is het verboden, maar daar hebben de meeste Tsjadiërs geen boodschap aan. Een geweer is niet nodig. „We hoeven het beest alleen maar op te jagen door het met onze auto’s te achtervolgen”, zegt Kalia. Gazellen kunnen een snelheid halen van tachtig kilometer per uur, maar zijn snel moe. „Na een paar kilometer zakken ze meestal uitgeput in elkaar. Dan kun je de dieren zo oprapen.”

Bijna een uur zoeken we naar gazellen. Kalia, in een lang rood gewaad en een witte tulband, wordt steeds stiller. Het lijkt niet te gaan lukken. „Misschien hebben we morgen meer geluk”, houdt hij de moed erin. „Laten we ons kamp maar opslaan.” Vlakbij de put, een betonnen constructie met een metalen deksel, zet ik mijn tent op. Voor het eerst in vijf dagen kunnen we weer eens douchen. In het donker takel ik een emmer water omhoog en giet hem over me heen.

Ik ben op weg naar de Trou Natron, een van de grootse vulkaankraters in de Sahara, samen met zeven reisgenoten in twee four wheel drives. De krater, in het Tibesti-gebergte in het noorden van Tsjaad, is bijna een kilometer diep en heeft een doorsnede van acht kilometer. Vanuit de Tsjadische hoofdstad Ndjamena kost het ongeveer een week om er per auto heen te rijden: duizend kilometer hobbelen door de woestijn. Verharde wegen zijn er niet, vliegverbindin- gen evenmin.

Rebellen

De Trou Natron is een van de beroemdste bezienswaardigheden in de Sahara. Maar de afgelopen jaren was de krater vanwege een burgeroorlog praktisch onbereikbaar. Rebellen hielden delen van Tibesti bezet, doorgaande routes waren versperd door landmijnen. Pas sinds 2010 keert de rust langzaam terug. Er is een vredesakkoord, mijnen zijn geruimd of in kaart gebracht. Volgens de gouverneur van Tibesti, die ik voor vertrek sprak in Ndjamena, zijn wij de eerste buitenlandse toeristen in tien jaar.

In de verte doemen rieten hutten op. Nog verder weg komen zwarte rotsen bijna loodrecht omhoog uit het zand. We zijn in Zouarké, een dorp aan de voet van het Tibesti-gebergte. Militairen met automatische wapens maken een stopteken. Hoewel er maar een paar honderd mensen wonen, is Zouarké een van de belangrijkste nederzettingen in de regio. „We hebben ’s avonds zelfs elektriciteit”, zegt politiechef Oumar Bougoudimi. Trots wijst hij naar de dieselgenerator die in het zand staat.

Bougoudimi, in een beige uniform, verzamelt de paspoorten. Met een balpen schrijft hij onze namen in een boek. In de tussentijd kunnen we uitrusten onder een afdak van palmbladeren. Ik strek me uit op een plastic mat op de grond en praat met een paar soldaten. Een van de mannen vertelt enthousiast over het boek De haat tegen het Westen van Jean Ziegler dat hij net heeft gelezen. Na zo’n twee uur komt politiechef Bougoudimi terug, met een doos vol blikjes frisdrank. „Ik heb via de radio contact opgenomen met de prefect”, zegt Bougoudimi nadat hij de blikjes heeft uitgedeeld. „Het is in orde, jullie kunnen verder.”

Vanuit de verte klinkt het brullende geluid van een vrachtwagen die zich door het rulle zand ploegt. Bij de politiepost, waar de Tsjadische vlag wappert, komt de auto tot stilstand. Bovenop de lading zitten tientallen passagiers. Bougoudimi verontschuldigt zich, hij moet weer aan het werk. „Nog één ding”, zegt hij bij het afscheid. „Pas op als je onderweg naar de Trou Natron rood geverfde stenen ziet. Die bakenen mijnenvelden af. Zorg dat je daar omheen rijdt.”

De laatste honderd kilometers naar de krater gaan over ruw terrein: steile hellingen, grote keien. We halen niet veel meer dan twintig kilometer per uur. Langs de route liggen verroeste Russische tanks en onontplofte munitie, achtergelaten door het leger van de Libische leider Moammar Gaddafi, die van 1973 tot 1994 grote delen van Tsjaad bezet hield.

Het is al donker als we bij de kraterrand arriveren, die op meer dan tweeduizend meter hoogte ligt. Voor het eerst tijdens deze reis heb ik het koud, ik trek een jas aan. Van de krater is in het donker weinig te zien, daarvoor moet ik wachten tot de ochtend. Zoals bijna elke avond koken we een eenvoudige maaltijd. Aan de hemel fonkelen sterren, veel meer dan ik er in Nederland ooit heb gezien.

De volgende ochtend word ik gewekt door de eerste zonnestralen. Het is nog steeds koud. De gids heeft een vuurtje gemaakt en warmt zijn handen aan de vlammen. Een tiener op plastic schoenen komt aanwandelen. Niet ver van de plek waar we hebben geslapen, blijkt een nomadenkamp te zijn. „Ik zag gisteravond al de lichten van jullie auto’s”, zegt Souleyman Woni, zoal de tiener heet. „Ik was benieuwd wat ik aan zou treffen.”

Vanaf mijn tent is het maar een paar honderd meter naar de krater, een enorm gat in een betrekkelijk vlak landschap. Het uitzicht is fantastisch, indrukwekkender dan ik had gedacht. Een voetpad loopt naar beneden. Op de bodem van de krater is een mini-vulkaan, met een eigen krater. Daaromheen ligt het witte natron, een zout dat economische waarde heeft. „Onze geiten en kamelen eten het”, zegt Woni. „Het maakt ze sterk.”

Ik word opgeschrikt door een harde knal. En daarna nog een. Het lijken geweerschoten. Zouden de rebellen de wapens opnieuw hebben opgepakt? Of worden we overvallen door bandieten? Woni begint te lachen als ik vertel over mijn zorgen. „Dat is mijn broer”, legt de nomadenzoon uit. „Hij zit in het leger. Soldaten vinden het leuk om af en toe voor de lol in de lucht te schieten.”