Krabbels, schetsen, kaartjes en lijstjes

Field notes on Science & Nature, onder redactie van Michael R. Canfield, Harvard University Press, 280 blz, prijs € 27,65.

Een heldergroen lindeblaadje op het bospad trok de aandacht van bioloog Bernd Heinrich. Het was aan de randen aangevreten door rupsen. Maar waarom was het afgevallen, verse blaadjes breken toch niet zo maar af?

Misschien heeft de rups ook het steeltje doorgeknaagd, dacht Heinrich, om te voorkomen dat de aangevreten blaadjes vogels op het spoor zouden zetten van zijn aanwezigheid. Het was een wilde theorie, maar achteraf bleek die te kloppen.

Voor Heinrich, emeritus van de University of Vermont, zijn veldwaarnemingen in de natuur een “spontane jachtpartij”, waarbij hij op zoek gaat naar “interessante prooien” die op zijn pad komen. Veel ervan registreert hij tijdens zijn bijna dagelijkse hardlooptrainingen (hij is een fervent ultramarathonloper). Soms krabbelt hij snel wat op een papiertje met een potlood, maar het meeste onthoudt hij.

Bij thuiskomst verwerkt hij zijn waarnemingen in zijn notitieboek. Het is een gewoonte geworden, sinds hij op achtjarige leeftijd begon met het bijhouden van zijn vorderingen in hardloopwedstrijden in een opschrijfboekje waarbij hij op de achterkant van de blaadjes ook bijzondere natuurwaarnemingen noteerde.

Deze huisvlijt heeft hem al veel gebracht, schrijft Heinrich in ‘Field Notes on Science & Nature’. Met zijn scherpe oog voor het ongewone bracht het hem keer op keer op nieuwe ideeën, en er kwamen talloze wetenschappelijke artikelen uit voort.

Zo hoorde hij toevallig een roep van raven die hij nog nooit eerder had gehoord. Toen hij op onderzoek uitging, ontdekte hij dat de vogels zich hadden verzameld rond een kadaver van een eland. Ze riepen elkaar om de prooi te delen. Heinrich stortte zich erop en noteerde wekenlang alles wat hem opviel aan de raven. Bijna vanzelf ontstond er een boek ‘Ravens in winter’.

Heinrichs ‘hapsnap’-methode is veel te romantisch voor de meeste andere wetenschappers die in ‘Field Notes’ de lezer een blik gunnen in hun aantekenboekjes. Sommigen gaan zeer systematisch te werk en maken nauwgezette turflijstjes of volgen het gedrag van een dier van minuut tot minuut. Zo maakte zoöloog George Schaller een uitgebreide plattegrond van de route die een reuzenpanda aflegde in de bossen van de Chinese provincie Sichuan, waarop hij precies aangaf waar en hoeveel het dier had gegeten en gepoept. Zo achterhaalde hij dat een mannetjespanda 97 drollen per dag uitpoept die bij elkaar 20,5 kilo wegen.

Het indrukwekkendst zijn de notitieboekjes waarin de wetenschappers tekenen wat zij zagen. De prachtige tekeningen van Jonathan Kingdon van de fauna in Afrika en de levensechte aquarellen van Jenny Keller vertellen meer dan woorden.

Aantekenboekjes bijhouden is een uitstervende gewoonte onder wetenschappers in het veld, constateert Erick Greene van de University of Montana. Moleculair biologen en biochemici zijn veel trouwer in het bijhouden van hun labjournaals dan veldbiologen, zegt hij. En met de komst van nieuwe digitale technologie lijkt de tijd van het noeste handwerk voorbij.

Greene pleit ervoor het niet verloren te laten gaan. Een zorgvuldig bijgehouden notitieboek is niet alleen waardevol voor de auteur zelf, maar ook voor latere generaties onderzoekers.

Joseph Grinell, de eerste directeur van het Museum of Vertebrate Zoology in Californië, verordonneerde aan het begin van de twintigste eeuw dat zijn medewerkers bij het verzamelen van specimen uitgebreide aantekeningen van de omstandigheden maakten. Honderd jaar later bleek dit prachtig materiaal voor historische vergelijking. Veel kleine zoogdiersoorten bleken in een eeuw tijd steeds hoger in de bergen zijn gaan leven, verdrongen door de mens of door klimaatverandering. De zogeheten Grinell Resurvey leverde in 2008 een publicatie in Science op.

Sander Voormolen