Jonge collega's moeten opstaan

Reinbert de Leeuw:

Ik voel me verslagen en moedeloos. Het is alsof alles wat ik vijftig jaar lang heb gedaan zonder waarde was. Ik ben verbijsterd door het ressentiment tegen kunst. Het is één grote frontale aanval. Alsof je aan tafel zit, iemand naar je toe loopt en je een klap geeft. Dat maakt het ook zo ingewikkeld om een antwoord te formuleren. We zijn sprakeloos, daarom hoor je zo weinig gezamenlijks uit de kunstsector. Wij staan bij voorbaat aan de verkeerde kant. De toon van het debat is zo hatelijk, het is onverdraaglijk. Een orkest wordt weggezet als een tromboneclubje. Dat zou in andere landen ondenkbaar zijn. In Duitsland al helemaal, daar ligt in een willekeurig hotel gewoon Rilke op je nachtkastje; cultuur is er onderdeel van het bestaan.

Wij worden weggezet als subsidieslurpers die met de rug naar het publiek staan. Natuurlijk, we moeten efficiënt werken en voldoende publiek hebben. Maar wij hebben met het ASKO|Schönberg-ensemble al meer dan 40 procent eigen inkomsten. Ik weet niet hoe alles wat ik heb opgebouwd moet overleven. Maar ik geef niet op. We halen alles uit de kast en zijn in gesprek met het onderwijs, scholen en conservatoria, en met fondsen die een ideële doelstelling hebben.

Ik heb ook veel vertrouwen in de kracht van de mensen die het doen. Vroeger was ik volop aanwezig in het debat, ik hoop dat jongere collega’s het nu overnemen. Wat we in ieder geval niet moeten doen, is ons tegen elkaar laten uitspelen. Het Koninklijk Concertgebouworkest en De Nederlandse Opera houden wel hun structurele subsidie en daarom wordt er des te meer op ons bezuinigd. Ik ga ze niet afvallen, maar daarmee zaag ik natuurlijk wel aan mijn eigen poten. Dat maakt het zo moeilijk om samen iets te doen.

Wat kun je anders dan laten horen hoe goed en geïnspireerd je bent? Zoals de leden van het Omroepkoor onlangs deden bij Pauw & Witteman. Ze stonden opeens allemaal op en gingen zingen. Ademstokkend mooi. Dat is fantastisch. We moeten laten zien: dit zijn wij en misschien heeft dat enige waarde. Zo mooi mogelijke dingen maken, dat is het enige wat we kunnen doen. Blijven doen waarvan wij denken dat het betekenis heeft en dat is in mijn geval niet symfonische muziek brengen. Dat hele repertoire is ons terrein. Het blijft onze verantwoordelijkheid ook muziek te brengen, waar nog geen vraag naar is. Als we dat niet hadden gedaan, zou een Louis Andriessen nu niet zo’n succes hebben.