'Ik ben fotodetective'

Ex-fotograaf Hans Aarsman schrijft en praat nu over foto’s. Bij een punt vijgentaart legt hij uit hoe je zware dingen licht kunt maken.

r schijnt zoiets te bestaan als ‘Aarsman-licht’. Het waterachtige, diffuse licht in de foto’s van Hans Aarsman. Alles op de foto is even belangrijk. Of onbelangrijk, dat kan natuurlijk ook. Ja, knikt Aarsman, hij heeft mensen er wel eens over gehoord, over dat licht. Je ziet het, zegt hij, veel op de Po-vlakte, in Noord-Italië. „Er is zon, alleen zie je niet precies waar het licht vandaan komt.” Denk nou niet dat hij de lof van het licht zal gaan bezingen. Welnee. Dit licht doet wat het moet doen: „Alles goed laten uitkomen. Ik wil de dingen kunnen zien. Verder is alles, compositie enzo, lariekoek.”

Relativerend licht, dat zou een goede omschrijving zijn. Past ook goed bij de fotograaf die niet fotografeert. Een fotograaf die niet meer wil fotograferen. Hans Aarsman (59) verkocht zijn camera’s, gooide negatieven weg en schonk de rest aan het fotomuseum. In 2006 liet hij zijn fotoarchief op internet zetten, waardoor iedereen zijn werk gratis kan downloaden. Want, zei hij toen, wat is het hoogst haalbare voor een fotograaf? Dat mensen zeggen: ‘Wat een goede fotograaf ben jij en wat een mooie foto. Net een schilderij.’ „Daar was ik wel zo’n beetje mee klaar.”

Hans Aarsman schrijft en praat nu over foto’s. Schrijven doet hij in een wekelijkse rubriek in De Volkskrant. Hij kiest daarvoor een foto uit het enorme aanbod dat de persbureaus dagelijks verspreiden. Hij kijkt, hij zoekt uit en op en legt dan uit wat we zien of wat ongezien bleef, maar wel de moeite waard is om te weten. Datzelfde gaat hij in februari ook doen op een podium. Drie keer treedt hij dan op in de Kleine Komedie in Amsterdam, met wat hij zelf een kruising noemt tussen een lezing en een performance.

Even terug naar toen Aarsman nog wel fotografeerde. Toen hij zelf „projecten, serietjes en thema’s” had en zijn werk in galeries hing en in boekvorm verscheen. Zoals Aarsman’s Amsterdam. Aarsman is de derde van vier kinderen van slager Aarsman in Amsterdam-West. Naast de foto’s van de stad staan dagboekachtige aantekeningen. Over zijn zus die ernstig ziek is, zijn vader die op sterven ligt, zijn moeizame omgang met zijn vriendin en zijn „ontdekking van het jaar”: dat hij niet goed in staat is langer dan twee uur met iemand op te trekken. En dat hij, al vechtend tegen de neiging om na twee uur op te stappen, altijd te lang blijft en dan afwezig is in aanwezigheid.

Hoekig

Ik verwacht om half een in het Lloyd hotel in Amsterdam een wat hoekige man te treffen. Een somberaar die de zin van alles betwijfelt en nog mensenschuw is ook (dat schreef hij zelf in Aarsman’s Amsterdam). En ook nog een die na twee uur is uitgepraat. Maar wat zie ik: een man van wie ik weet dat hij tegen de zestig is, maar die eruit ziet als een dertiger. Die lang, slank en snel oogt. Die, met zijn net iets te hoog zittende broek en donkere bril, enorm hip is en ook nog weet uit te stralen dat dat volstrekt niet zijn bedoeling was.

Hij is verbaasd te horen dat hij op papier stug leek. „Ik vind mezelf heel opgewekt.” Hij zal later nog eens polsen: „Ik ben toch best vrolijk?” Ja, dat is hij zeker. Het fotoboek over Amsterdam maakte hij meer dan twintig jaar geleden. „In die periode was ik geïnspireerd door Peter Handke.” Dat is een avant-gardistische schrijver uit Oostenrijk. „Dagboekachtige aantekeningen, fragmentarisch en associatief.” Een lachende mond vol gouden kronen. „Klagen is zó hermetisch”, zegt Aarsman. „Als ik mijn dagboeken teruglees, denk ik: die man wil ik niet zijn.”

In de tussentijd heeft hij zich eigen gemaakt wat hij zich ooit heeft voorgenomen: de allerzwaarste dingen licht brengen. „Jezelf trainen zo tegen dingen aan te kijken dat ze draaglijk worden.” En zo kijken is zo schrijven. „Primo Levi maakt in Is dit een mens? het allerergste leesbaar. En laat het oordeel aan ons over.” En uiteindelijk is zo kijken zo fotograferen. Alleen dat doet hij dus niet meer. „Als ik fotografeer, voel ik gêne. Alsof een stemmetje tegen me zegt: je hebt iets bedacht en nu ga je er mooie foto’s van nemen.” Even iets vastleggen, ja dat doet hij wel. De camera in zijn iPhone is uitstekend. „Maar ik haal mijn motief niet uit de fotografie.” Ik knik en doe alsof ik hem begrijp. En hij doet alsof hij dat niet ziet. Het antwoord komt later.

Hij heeft alweer een jaar of tien een camera. Gekocht toen hij ging verhuizen en rigoureus wilde opruimen. Van alles wat hij weggooide – ook de poppetjes die zijn moeder in het verzorgingstehuis maakte – nam hij een foto. En dat werd bij elkaar, onbedoeld, toch weer een serie. Die werd afgedrukt in Foam magazine, want de makers van dat blad hadden ook gehoord dat hij weer een camera had.

De bruine botterhammen met kaas en uitsmijter worden voor hem neergezet. Vergenoegd wrijft hij in zijn grote handen. „Nú gaan we het beleven.”

De foto’s van weggegooide dingen waren onderdeel van een zoektocht, een experiment zo je wil. Zoals hij ook foto’s maakte van de dingen die hij niet kocht. De vraag die hij beantwoord wilde krijgen: wat maakt fotografie interessant? Foto’s die op een bekend schilderij lijken, vindt hij niet interessant. „Ze zijn een weergave van een weergave.” Wat dan? Een tijd heeft hij foto’s verzameld van de hamlappen in de aanbieding van de supermarkt. „Daar vergeet je elke gedachte aan fotografie en gaat het alleen nog om wat er op de foto staat: het vlees.” Een familiealbum, geldt hetzelfde voor. „Dat is de meest eerlijke vorm van fotografie. Ook al zijn het alleen de hoogtepunten, het motief is duidelijk: de mensen die je lief zijn vastleggen.” Het interessantste vond hij de foto’s die onbedoeld betekenis krijgen. Zoals die van Ria van Dijk, die vanaf 1936 elk jaar een foto van zichzelf nam al schietend in een schiettent op de kermis. Terwijl ze de foto’s nam, wist ze niet dat ze ooit haar levensverhaal zouden vertellen. Dat is fotografie die geen kunst was op het moment dat het knopje werd ingedrukt.

Nú begint het me te dagen. Dit is wat Aarsman bedoelt. Niet: ik zie iets en ik fotografeer het. Maar: ik fotografeer en dan zie ik iets. Dus daarom zal hij straks in het theater tegen de mensen zeggen: „Mocht u, op enig moment, een interessante foto willen nemen, doe het dan vooral niet. Heeft u artistieke ambities met uw camera? Genade, weg ermee.”

Appeltaart? Nee, vijgentaart. Nóg lekkerder. Aarsmans ogen juichen als het op tafel komt. Dát is nog eens smikkelen. Voor de serie ‘Hollandse meesters in de 21ste eeuw’ die in de Kunsthal te zien is, maakten documentairemakers portretten van hedendaagse beeldende kunstenaars. Er is ook een film over Aarsman. Niet fotograferend dus, maar kijkend en schrijvend. Hij weet namelijk het antwoord op zijn eigen vraag. Niet het schilderij-achtige maakt een foto interessant. De analyse van de foto, het onderzoek naar wat erop staat, daar gaat het om. Hij noemt zich nu fotodetective. „Ik leef van mijn manier van kijken. Niet esthetisch, maar forensisch.” Geïnspireerd door Sherlock Holmes. „Die verhalen heb ik uitgeplozen. In die boeken ligt het begin van wat ik nu doe.” Wist ik dat Sherlock Holmes heel veel telde? „Traptredes, stappen. Hij kon dertig verschillende fietsbandsporen herkennen.” Toen Aarsman aan de Kennedylaan in Amsterdam woonde, fotografeerde hij vanuit zijn raam de langsrijdende auto’s. Tevreden: „Kon ik een prachtig grafiekje van maken. De meeste auto’s zijn zwart. 1472 op een dag om precies te zijn.” Zo volgens een vast patroon iets vastleggen, kan extra informatie geven. Voormalig PvdA-minister van Cultuur Ronald Plasterk geeft zich bloot als hij een foto maakt van iedereen die hij ooit in zijn ministerskamer ontving, maar niet van de koffiejuffrouw.

Hij wil maar zeggen: goed kijken is goed denken. „Loep erop, de wetenschap erbij, dan komen we er wel uit.” En hoe handig is het dan dat hij zijn kandidaats haalde in wis- en natuurkunde én in Nederlandse taal- en literatuur. Fotograferen heeft hij zichzelf geleerd. „Ik was al een eind in de twintig. Er was een jongen in mijn studentenflat die fotografeerde. Dat ben ik erbij gaan doen.”

Loswrikken

Nu kiest hij wekelijks een foto en demonstreert wat hij uit dat beeld kan loswrikken. Hij ontdekte zo dat er opvallend vaak een handgeschreven bordje met in bloedrode letters ‘Warum’ stond bij rampen, zeker bij de grotere ‘familiedrama’s’. Het spoor leidde naar de dertigjarige Timo Tasche uit Duitsland, die een dagtaak had aan het plaatsen van die bordjes.

Goed kijken naar een foto kan een moord oplossen. Aarsman schreef over een foto van een Zuid-Amerikaanse man die lijkt op een gewone familiefoto, vrouw en kinderen naast de auto. „Bij beter kijken zie je een veeg door het beeld, de koplampen dansen.” Dat komt omdat de fotograaf de kogel die hem dodelijk zal treffen fotografeert. „In de weerspiegeling in de lens is de loop van een wapen te zien, de vonken van een schot.” De schutter vlucht, de camera blijft liggen. Vier dagen na het schot wordt het rolletje ontwikkeld en zag de politie de dader die ze zochten.

Zijn bevindingen beschrijft Aarsman minutieus. De details, die zijn moeilijk. „Maak maar eens een foto van je bureau. Dan zie je pas wat een rotzooi het is.” Hij beschrijft hoe het gegaan zou kunnen zijn. Een foto geeft je het gevoel dat je erbij bent, maar hoe ruikt het daar, hoe klinkt het? Wat klopt er niet? Wat kan er gebeurd zijn nádat de foto werd gemaakt? Even met de fotograaf bellen, wat voor de hand ligt, doet hij nooit. „Ik wil geen voorsprong hebben. Het beeld moet het zeggen.” Wat wel helpt, is zijn eigen ervaring. „Ik kan sneller zien dat de fotograaf op een hoger punt moet hebben gestaan.” Dan googelt hij naar hoge gebouwen in de buurt. Zoekt in zijn knipselarchief en de boeken die hij niet weggooide. „Soms zet ik iets op Twitter. Dat is een soort crowdsourcing. Vraag ik: wie weet welke straat dit is? Binnen een half uur heb ik het.”

Nu hij fotografie op deze manier bekijkt, vindt hij het wél weer een mooi medium. „Het enige waarbij de maker ter plekke is en tijd en handeling samenvallen.” En van wat plat is, maakt Aarsman poëzie. „Noem het beeldtaal in letters. Alle olifanten in de kamer benoemen, maar dat zo doen dat het geheel licht blijft. Dat is de kick van het schrijven. Schaken met de flarden in je hoofd tot er iets ontstaat wat er mag zijn.” Bij een laatste kopje thee van verse munt („de blaadjes interesseren me niet, ik hou van een plens warm water”) zegt hij dat er mensen zijn die vinden dat de kwaliteit van analoge fotografie veel dichterbij poëzie komt. Nog voor ik die opmerking begrepen heb, lacht hij gul. „Dat zijn de afdrukfetisjisten.” Hij heeft al sinds 1992 geen donkere kamer meer. „Dat ambachtelijke heb ik niet in me.” Wat hij wel in zich heeft, of hij nou wil of niet, is wat hij ooit het belangrijkste kenmerk van een fotograaf noemde. Volgens hem is die er altijd maar half bij. De andere helft is al bezig met het resultaat van wat hij fotografeert. Om half drie fladdert hij naar de uitgang. De lunch heeft precies twee uur geduurd.