Hout

Tommy Wieringa over de vraag naar brandhout.

Mijn pleegmoeder is op de dertiende geboren. Zij meent dat dit haar leven in een ongunstig licht heeft geplaatst. Toen ze aan het eind van vele omzwervingen in een huisje op de Drentse hei belandde, was ze niet verbaasd dat het huisnummer 13 had. „Hier zal ik doodgaan”, zegt ze.

Soms heeft ze buren, het grootste deel van het jaar staan de naburige vakantiehuizen leeg. In de winter is ze de enige levende ziel in de wijde omtrek. Die donkere maanden zit ze uit; een langgerekte oefening in verdragen.

Het is een klein huisje, een woonkamer en een slaapkamer, dat is alles. De wanden zijn bekleed met boeken. Op Tweede Pinksterdag zijn we op haar verjaardag, ik loop met een schuin hoofd langs al die boeken. Bij haar heb ik leren lezen, het echte werk, na Wipneus en Pim en alles van Desmond Bagley. Het geweten van de wereld hoopte zich op in die kasten, rug aan rug, een gesloten front tegen de onwetendheid, de oppervlakkigheid, het grote vergeten. Ze schreef in de kantlijn van die boeken, temperamentvolle commentaren met onderstrepingen en uitroeptekens.

In de tuin leidt ze mijn dochter door een wulps labyrint van bloemen, met aardbeienplanten aan de voet ervan. Mijn dochter eet dikke, rode aardbeien en lacht met een rode, nog haast tandeloze mond naar ons.

Mijn pleegmoeder heeft een persoonlijke, fanatieke band met de kleine vogels in de coniferen. Mezen en mussen, de vinken. Ze gaat het hele jaar door met voederen, gestold vet met zaden in halve kokosnoten. Die hangt ze in de bomen. Als de mussen alarm slaan omdat de sperwer in aantocht is, rent ze naar buiten met een bezem. „Laat ze gras vreten”, zegt ze.

Direct buiten het tuinhek beginnen de velden. Veel akkers worden opgeofferd aan de natuur, dat wil zeggen aan de idee natuur: een bosje, wild gras en een waterplas. De boeren knarsetanden, ze zien goede landbouwgrond naar de sodemieter gaan. Ze willen er nog niet aan dat de tijden veranderd zijn, dat productie stilaan wordt verruild voor recreatie, en dat dat onomkeerbaar is.

Toen afgelopen herfst overal eikenbomen werden gesnoeid, vroeg de buurman voor weekeinden en vakanties aan de gemeentewerkers of het hout mocht worden meegenomen. Dat mocht. Toen daarop ook mijn pleegmoeder met een kruiwagen naar de weg ging, zei hij: „Maar jij hebt het niet gevraagd.” Ook al was er genoeg hout voor zeven winters, zijn begeerte was nog eens zo groot. Terwijl mijn pleegmoeder eikenhout stapelde tegen de zijmuur van haar huis, kwam de buurvrouw voor weekeinden en vakanties aan het hek staan en zei: „Houtdief.”

Zo begint het afgrondelijke zwijgen van het platteland.