Het scheiden van wonen en zorg is juist solidair

In haar analyse van de marktwerking in de zorg (Opinie & Debat, 11 juni) stelt Margo Trappenburg dat het scheiden van wonen en zorg in de AWBZ zal leiden tot een grotere ongelijkheid. De vraag is of dat zo erg is.

Velen beschouwen de AWBZ, en vooral de onverzekerbare risico’s die erdoor worden gedekt, gelukkig als een vorm van beschaving. Niemand in Nederland hoeft te vrezen voor de onbetaalbare en onverzekerbare gevolgen van een handicap, een chronische ziekte of de ernstige gevolgen van de ouderdom.

Te financieren is zo’n verzekering alleen als behalve risicosolidariteit (niemand kan worden geweigerd) ook premiesolidariteit bestaat, in de vorm van een (deels) inkomensafhankelijke premie. Een nominale premie is voor velen niet op te brengen.

Voor deze vorm van noodzakelijke en wettelijk afgedwongen solidariteit bestaat nog steeds een groot maatschappelijk draagvlak. We moeten regelen dat dat zo blijft.

Een van de maatregelen die we daartoe kunnen nemen, is die solidariteit niet groter te laten zijn dan noodzakelijk. Een leven lang een stevige premie betalen en dan als het zo ver is in een sobere behuizing terechtkomen, terwijl je voor iets groters en beters wilt en kunt betalen, is niet bevorderlijk voor het voortbestaan van die solidariteit.

In de zorg in engere zin is iedereen – gelukkig – nog steeds voorstander van ‘gelijke monniken gelijke kappen’. Betere zorg voor beter gesitueerden is een taboe. Op de ‘aanpalende’ terreinen geldt dat niet.

AWBZ-zorg in een mooi appartement met hoogpolig tapijt en uitsluitend bloedmooie verpleegsters – wie het kan en wil betalen, die doet maar, net als in het ‘gewone’ leven. De solidariteit kan dan beperkt blijven tot waar we haar echt nodig zullen hebben: in de AWBZ-zorg. Zo blijft het maatschappelijke draagvlak hopelijk in stand.

Jan Peter Dopheide

Leiden