Er is een regeling voor euthanasie. Mooi. Goed. Maar in de praktijk...

De dagen dat stervenden nodeloos moesten lijden, liggen achter ons. Er is al geruime tijd een regeling voor euthanasie. Maar is alles daarmee opgelost? Ook artsen hebben het er moeilijk mee, laat Andries Oldersma zien.

November 1979

In de afgeladen Blauwe Zaal van het RAI-congrescentrum zit ik tijdens de onderwijsdag een forum voor. Ik zie een bode met een papiertje naar voren komen. Het bericht is voor mij bestemd. Mijn vrouw bericht me. Het Tjongerschansziekenhuis in Heerenveen heeft gebeld: overkomst dringend gewenst. Mijn moeder, mêm, ligt daar.

Wat doe ik? Het forum het forum laten? Nog 20 minuten en ik begin vervroegd aan de afronding. Even later rij ik over de Afsluitdijk richting Heerenveen.

Het is donderdag en ik vind mêm alleen op een zespersoonskamer. Ze werpt zich van de ene zij op de andere. Van pijn of heeft ze zo’n last van het infuus? Het lukt me die avond niet een arts te vinden die haar ziektegeschiedenis kent. Vrijdag hetzelfde beeld, ze werpt zich van zij op zij. Ik spreek met de internist. Ja, dat infuus zit haar dwars, maar is nodig voor de medicijnen. Er is nog een kleine kans, enkele promillen, dat ze tijdelijk weer opknapt. Met een onbevredigd gevoel zit ik weer naast haar bed dit lijden te ondergaan.

Op zaterdag heeft een andere arts dienst. Ook haar geef ik in overweging het infuus weg te halen. Ze zegt niks, maar knikt meelevend. Even later is het infuus eruit en mêm ligt er rustig bij. Klaar om in alle rust te sterven. Wij voelen ons opgelucht.

De zondag daarop zit ik zo’n beetje de hele dag bij haar bed. Ze slaapt aan één stuk door. Toch is ze wakker geweest, want plotseling hoor ik haar in het Fries zeggen: „Jonkje, ben jij hier nog?” Buiten speelt op een van de bijvelden een elftal van Heerenveen. Naast het bed van mêm denk ik terug aan vele jeugdherinneringen, zoals de bijzondere verrichtingen van Abe Lenstra, waar ze met twinkelende ogen naar luisterde. Toen ik geboren werd, kregen mijn ouders van de familie Lenstra de wieg waarin Abe en Jan hadden gelegen. Dat schept verplichtingen, maar het niveau van Abe was voor mij niet weggelegd. „Dat geeft niks jonkje”, zei mêm dan. „Ik had altijd de Elfstedentocht willen rijden en als er ijs ligt dagdroom ik daar heel fijn over.” Wij gaan die zondagavond gerust slapen.

Als we op maandag in het ziekenhuis aankomen, schrikken we als we zien dat mêm weer een infuus heeft en zich van pijn van zij op zij gooit. Het duurt even voor we de internist hebben gevonden. Van het gesprek herinner ik me weinig. Ik word kwaad, heel kwaad en luister nauwelijks naar zijn woorden. Hij blijft er bij dat dit medisch nodig is. Wat staat ons te doen? We besluiten een gesprek met de directie aan te vragen. Dat wordt gepland voor de dinsdag. Die dinsdagochtend worden we vroeg gebeld of we willen komen. We kunnen nog net afscheid nemen voor mêm zonder infuus inslaapt.

Een dag later kom ik op De Dracht bij een tabakshandel de internist tegen. Hij condoleert me en ik nodig hem uit een kopje koffie te drinken in het Heerenlogement. Hij steekt een sigaar op en ik stop een verse pijp. Dat mocht toen nog. Het spijt hem dat het zo gelopen is, maar zijn godsdienstige overtuiging noopte hem te handelen zoals hij deed. Ik begrijp zijn woorden, maar kan er geen begrip voor opbrengen.

November 1982

Mijn vader, heit, woont in het humanistisch verzorgingshuis Coornhert-State in Heerenveen. Hij heeft last van meerdere kwalen en laat geregeld blijken een voltooid leven te willen afsluiten. Verbaal komt hij tekort om dit met zijn huisarts te bespreken. Het wat snauwerig opmerken „Geef mij maar een spuitje” klinkt niet weloverwogen. En als er bij dit signaal niet stil wordt gestaan, gaat het mis. Hij vraagt mij om eens met de huisarts te praten. Dat doe ik, maar het gesprek vlot niet. De sfeer is er ook niet naar. Achter een andere deur naast de spreekkamer spelen zijn jonge kinderen luid en enthousiast. Het contrast kan niet groter. De huisarts besluit het gesprek met: „Als uw vader weer een kaartje kan leggen, is het toch goed?”

Eens in de twee weken gaan we op zondag naar hem toe. Onze oudste dochter Susanna heeft haar rijbewijs en gaat als wij niet kunnen. Op zondagavonden bellen we elkaar. Zo ook deze zondag. Ik bereid de werkweek voor door het bestuderen van nota’s en andere papieren.

Heit belt en is dit keer lang van stof. Hij vertelt over dingen die we al eerder bespraken, zoals de plaats waar de spaarbankboekjes van de kleinkinderen liggen. Ik reageer met ‘Ja heit’ en werp ondertussen een schuin oog op de stapel papieren.

De volgende morgen om 7 uur belt de politie uit Heerenveen met de mededeling dat heit is verdronken in de vijver van de Coornhert-State.

De directeur vertelt ons dat heit de avond daarvoor met kamerjas aan, sjaal om en op pantoffels bij het biljart had staan kijken. Hij wilde een praatje met hem maken, maar heit straalde uit: niet benaderen. Heit was door de achterdeur naar buiten gelopen, naar de vijver waar hij zijn kamerjas keurig opgevouwen had neergelegd met sjaal en pantoffels erop. Heit ten voeten uit. Gelukkig, aldus de directeur, was heit op tijd gevonden, zodat er geen onrust in het huis ontstond.

Ik loop de route die heit heeft afgelegd. Ik vind het verschrikkelijk dat hij deze weg alleen heeft bewandeld. Jarenlang zal ik me schuldig voelen dat ik niet bij hem was en besef dat, als ik erbij was geweest, dat tot een vruchteloos gesprek had geleid. Ik zou natuurlijk proberen hem op andere gedachten te brengen en dat wilde hij juist niet. Nu, bijna dertig jaar verder, blijken ook schuldgevoelens sleets.

Waarom koos heit voor deze weg? Van het dak afspringen, zich voor een trein of auto werpen, zou medemensen leed doen, was zijn stellige mening. Dat paste niet bij heit.

In zijn jonge jaren was hij als bakkersknecht met de bakkerskar in de Schoterlandse Compagnonsvaart beland. Heit kon niet zwemmen, maar werd gered. Later zei hij daarover: „Het was heel mooi onder water, prachtige kleuren”.

Eindelijk euthanasie

Natuurlijk hebben de novembers van 1979 en 1982 invloed op mijn gedachten en gevoelens over euthanasie. Natuurlijk tekenden we euthanasieverklaringen! Natuurlijk bespraken we die met de huisarts. Sterker nog, de keuze van de huisarts werd voor een belangrijk deel bepaald door zijn opvattingen over euthanasie.

Maar wat hebben we nu geregeld? Tijdens een ziekenhuisopname is het contact met de specialist doorgaans kort of erger, zoals in november 1979 beschreven. En als de huisarts een maand op vakantie gaat? Een extra maand lang zinloos lijden?

De uitgangspunten zijn helder: uitzichtloos en ondraaglijk. En wie bepaalt dat? De arts en nog een tweede arts op de achtergrond, de scanarts. Maar is het niet de cliënt/patiënt zelf die dat vaststelt? Een arts kan een (nieuwe) ziekte bij een patiënt, gelet op de medicatie, niet als uitzichtloos zien, terwijl de patiënt dit door de stapeling wel degelijk als uitzichtloos ervaart.

Wij mensen zijn sociale wezens met daarbinnen ruimte voor autonomie, zelfstandigheid in meer en mindere mate. Zelfbeschikkingsrecht geldt volgens mij voor euthanasie. Daarbij respecteer ik de mening van mensen die dit vanuit hun geloofsopvatting afwijzen, mits zij ook mijn standpunt respecteren. Een misverstand is dat zelfbeschikking een eenzame en koude weg is. Dat ‘eenzaam’ komt uit de opvatting voort dat de cliënt zelf de beslissing neemt, maar natuurlijk overleg je met je naaste omgeving en de huisarts.

Maar nu de arts

Mogen we artsen de huidige regeling wel aandoen?

Een bevriende huisarts is een avond bij ons op bezoek. Ze ziet er afgetobd uit. Ze had die dag een euthanasie gedaan. „De familie wou erbij zijn. Eén dochter was tegen euthanasie. Daar zou ze niet over praten, maar liet dat non-verbaal tal van keren blijken. Een andere dochter zat vast in de file. Weer een uur uitstel. Mijn zorg ging uit naar de patiënt en de echtgenote, die steeds onrustiger werd. Het in- en uitlopen verbood ik op enig moment. Weer kwade koppen. De patiënt sprak de wens uit te wachten tot zijn vier dochters en hun partners er waren. Was dat verantwoord, vroeg ik me af? En dan gaat er ook nog iets mis. Toen ik na uren in de auto plofte, begon ik spontaan te janken.”

Ook nu staan de tranen haar in de ogen.

Het is zo gemakkelijk opgeschreven: zelfbeschikking. Ik sta erachter, maar besef dat de werkelijkheid anders kan zijn door de omstandigheden. Neem ik de beslissing als ik het leven als voltooid ervaar of doe ik dat te laat, zodat een waardig afscheid van dierbaren niet of nauwelijks meer mogelijk is? Het is lastig in je eigen toekomst te kijken, er in alle rust over nadenken gaat wel.

Er zal nog heel wat gepraat worden, voordat zelfbeschikking en middelen geaccepteerd zijn. Met als dieptepunt of het wel of niet in het basispakket hoort.

Andries Oldersma was gemeentelijk inspecteur van het onderwijs in Amsterdam.