Doordeweeks op kamers in de stad, in het weekend naar huis

Veel banen voor hoger opgeleiden zitten in de Randstad. Wat niet zegt dat je daar ook moet wónen. Wie het kan betalen, neemt een pied-à-terre.

Annemarie Kas

Doordeweeks niet om half zes uit je bed hoeven, om vóór de files naar je werk in de Randstad te rijden. En toch het weekend lekker doorbrengen in de ruime tuin van een vrijstaand huis in Friesland, Limburg of ergens in de Achterhoek. Het klinkt paradoxaal, maar het kan samengaan.

Werknemers die ‘bilokaal’ leven, zoals dat heet in woningmarktjargon, hebben hun eerste woning ergens buiten de Randstad. Doordeweeks verblijven ze in een pied-à-terre in Amsterdam, Rotterdam of Den Haag.

Bekende voorbeelden van zulke pendelaars zijn Tweede Kamerleden of bewindslieden, die doordeweeks in een appartement in Den Haag zitten en in het weekend terug naar huis gaan. Maar het gebeurt ook in de private sector. Hoeveel Nederlanders op die manier hun leven over twee woningen verdelen is onduidelijk (zie inzet), maar het lijkt erop dat steeds meer Nederlanders hun primaire woonplaats niet meer laten afhangen van de plaats waar hun werk is gevestigd.

„Ik heb sterk de indruk dat het aantal mensen met een pied-á-terre toeneemt. Kijk alleen al naar het groeiend aantal stellen dat twee goede banen in één huishouden moet zien te combineren”, zegt Pieter Hooimeijer, hoogleraar demografie aan de Universiteit Utrecht. Het opleidingsniveau stijgt, en steeds meer vrouwen hebben ook een volwaardige baan. Stellen waarvan zowel de vrouw als man een topfunctie heeft, gebruiken dan de ene woning als hoofdvestiging, de ander als nevenvestiging. „Als een soort filiaal van het huishouden.”

Het zijn vaak geen mensen met van-negen-tot-vijf-banen, maar carrièremakers die bij grote bedrijven en op internationaal niveau werken, die zo’n nieuwe manier van leven hebben ontwikkeld. Door de lange dagen die ze maken, is een verblijf in de buurt van kantoor handig. Maar drie, vier nachten per week in een hotelkamer slapen voelt wel weer érg onpersoonlijk. Dus wordt het een pied-à-terre. Minstens zo belangrijk bij die overweging is natuurlijk dat zij zich dat kunnen veroorloven, zegt Hooimeijer.

Elitewerkers, kosmopolieten, noemt hoogleraar demografie Jan Latten (Universiteit van Amsterdam) dat type werknemers. Die hoogopgeleiden hebben geen baan voor het leven meer, maar een leven vol verschillende banen. Dat gegeven maakt het logisch dat ze niet meer zomaar verhuizen voor hun carrière. „Als je voor een periode van vier, vijf jaar een baan bij een bank op de Zuidas in Amsterdam hebt, ga je daarvoor niet je vrijstaande huis in de Achterhoek opgeven”, zegt Latten. „Ze hebben een vaste verblijfplek en hoppen van daaruit van baan naar baan.”

Het aanhouden van zo’n pied-à-terre is hier veel minder gebruikelijk dan in bijvoorbeeld Frankrijk, Duitsland of Groot-Brittannië – ook voor die kosmopolitische Nederlanders. Daar is een eenvoudige verklaring voor: de afstanden zijn in Nederland veel kleiner.

Vanuit Londen of Parijs moet je zeker een uur of langer reizen voordat je in een beetje landelijke omgeving zit. Vanuit Amsterdam kun je ruim binnen het uur in een groene, ruime wijk in Heemstede, Aerdenhout of Naarden zitten. Of zoals hoogleraar Hooimeijer het uitlegt: „De steden in onze ‘metropoolregio’, de Randstad, liggen nog zo ver uit elkaar dat er op een half uur, drie kwartier rijden altijd aantrekkelijke en betaalbare woonruimte te vinden is – dat zijn betere alternatieven dan een lullig flatje in een stad.”

Een tweede verklaring voor het feit dat pied-à-terres in Nederland een relatief klein fenomeen blijven, is dat de huizenprijzen in Nederland niet zó ver uit elkaar lopen als bijvoorbeeld in Frankrijk. De bevolkingskrimp op het platteland is daar zo groot, dat het veel goedkoper is om ergens in een dorpje een huis aan te houden. Kijk naar Parijs, zegt hoogleraar Pieter Hooimeijer. Daar is 80 procent van de woningen geen koop, maar huur. Tegelijk is toch 40 procent van de Parijzenaren wél eigenaar van een woning. „Maar die ligt ergens in de periferie, in het zuiden van het land.”

Hoogleraar Latten ziet in de kosmopolieten wel een gat in de markt, vooral voor Nederlandse gemeenten die nu leeglopen, in Limburg of Zeeland bijvoorbeeld. Als de huizenprijzen in de Randstad de komende jaren hoog blijven, kunnen krimpgemeenten daarop inspelen: „Zij kunnen met landelijke huizen mooi de behoefte aan rust, natuur en een moestuintje invullen.”