De wereld verandert, Rutte houdt zich doof

Mark Rutte ziet zichzelf als een atlanticus. Je zou het niet zeggen. Een atlanticus is volgens Van Dale „een voorstander van een hechte Europees-Amerikaanse samenwerking op militair en politiek gebied”. Wie aan die omschrijving voldoet zou vorige week heel wat minder luchtig voorbij zijn gegaan aan de bittere verwijten en dringende waarschuwingen van Robert Gates.

De Amerikaanse minister van Defensie verweet de Europese NAVO-landen niet alleen dat ze te weinig financiële en militaire lasten dragen in het bondgenootschap. Hij zei ook dat die onevenwichtigheid voor de Verenigde Staten zo langzamerhand „onacceptabel” is en tot de ondergang van de NAVO dreigt te leiden. Daarmee staat, zeker voor een atlanticus, meteen de toekomst van onze relatie met Amerika op het spel.

Rutte bleef er ijskoud onder. Op zijn wekelijkse persconferentie werd hem gevraagd of hij zich niet aangesproken voelde door de Amerikaan. „Nee, zo heb ik het niet ervaren”, beweerde de premier. Terwijl Gates zich toch overduidelijk had gericht tegen álle Europese NAVO-landen. Bovendien had hij twee dagen eerder, in een besloten NAVO-vergadering, Nederland met name genoemd als een van de landen die meer zouden moeten bijdragen aan de missie in Libië. Nederland had dus niet alleen reden om zich aangesproken te voelen, Nederland wás aangesproken. Maar Rutte hield zich doof.

Je hoeft het niet met Gates eens te zijn om te beseffen dat we onszelf hoognodig twee vragen moeten stellen, in ons eigen belang: wat willen we – in Nederland, in Europa – eigenlijk met onze strijdkrachten? En: is onze relatie met de VS bezig af te brokkelen?

Om met dat laatste te beginnen: Gates zei dat de generatie Amerikaanse politici met een speciale band met Europa zo langzamerhand plaats maakt voor een nieuwe lichting, die veel minder op heeft met het oude continent. De generatie van president Obama heeft niet samen met Europa de Koude Oorlog doorstaan. Europa blijft voor de VS wel een belangrijke partner, maar de internationale machtsbalans is in hoog tempo aan het verschuiven. Het is dus niet gek als Amerika zich steeds meer richt op China en andere opkomende economieën. Niet voor niets heeft Obama zichzelf eens ‘the first Pacific president’ genoemd.

Hoe kunnen Europese landen het best met die nieuwe werkelijkheid omgaan? In elk geval niet door er de ogen voor te sluiten en het Amerikaanse ongeduld met Europa weg te wuiven. Want nog altijd is de relatie met Amerika op politiek, economisch en ja, ook militair terrein voor Europa van cruciaal belang.

Gates waarschuwt voor „de zeer reële mogelijkheid” dat de Europese landen vervallen tot „collectieve militaire irrelevantie”. Wie ziet hoe moeizaam de Libië-operatie zich ontwikkelt, kan zich daar iets bij voorstellen. Tegen een slecht bewapend bewind in een dun bevolkt land, zoals Gates met nauw verholen minachting opmerkte, begon na elf weken de munitie al op te raken en moesten de VS weer bijspringen.

Maar Gates gaat aan iets wezenlijks voorbij. De beperkte inzet van Europese landen in de oorlogen in Afghanistan en Libië komt niet alleen voort uit hun geringe militaire capaciteiten of het willen vermijden van risico’s. Binnen de NAVO bestaan fundamentele politieke meningsverschillen over de vraag wanneer en hoe militair moet worden ingegrepen. Op zijn minst sinds de invasie van Irak in 2003 knaagt ook dat aan de eenheid binnen het bondgenootschap.

Toch zien alle Europese landen de noodzaak in om een leger te hebben. Niet alleen om zichzelf en hun bondgenoten te verdedigen, maar ook om conflicten elders te voorkomen, bezweren of beslissen. Om, zoals de opdracht luidt die de Nederlandse grondwet de regering meegeeft, de internationale rechtsorde te bevorderen. Geen enkel land in Europa kan of wil dat op eigen houtje. De militaire samenwerking in Europees verband, onder de paraplu van de EU, staat nog altijd in de kinderschoenen – en zolang de Unie niet in staat is een gezamenlijk buitenlands beleid te voeren, zal van de militaire tak van Europa weinig krachtigs terechtkomen.

Blijft over de NAVO. Gates heeft gelijk dat de alliantie met grote problemen kampt. Critici van de oorlog in Afghanistan hebben gelijk dat het bondgenootschap zich aan die oorlog heeft vertild. Critici van de oorlog in Libië hebben gelijk dat de NAVO daar strijdt zonder eenduidig doel en zonder duidelijk plan voor de fase na de val van Gaddafi.

Maar een alternatief voor de NAVO is er voorlopig niet. Dus in plaats van de alliantie te laten wegkwijnen, moeten de bondgenoten haar zien aan te passen aan de veranderende wereld. In die wereld zijn Amerika en Europa niet meer tot elkaar veroordeeld, zoals ten tijde van de Koude Oorlog. Maar ze blijven sterk aan elkaar verwant, en ze blijven elkaar nodig hebben.

Juurd eijsvoogel