De ruimtelijke ordening blijft, ondanks 'Belgische' tendens

Het leek nieuws deze week – ‘Rijk trekt zich terug uit ruimtelijke ordening’, ‘Minister heeft geen enkel bezwaar tegen de ruimtelijke ordening in België’. De soms barokke Belgische lintbebouwing is ook volgens veel Belgen bijna mooi van lelijkheid, maar gaan we die kant op? Het was vooral ketelmuziek. Nederland gebeurt gewoon.

‘Ruimtelijke ordening’ klinkt objectiever dan het wat dirigistische woord ‘planologie’. Beide begrippen gaan uit van de illusie dat het gebruik van de ruimte in een dichtbevolkt land valt te sturen. Minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu, VVD) schopte bij de presentatie van haar Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wat tegen linkse liefdes, maar ze breekt niet met de traditionele illusie van een maakbare ruimte, zolang het zakenbelang dat toestaat.

Dankbaar object van spot zijn de negen ‘snelwegpanorama’s’. Die zijn ingesteld door haar voorganger, minister Cramer (Milieu, PvdA). Het is geen taak voor het Rijk om het voorbijrazende landschap ongerept te houden. Bij 130 kilometer per uur zie je toch niks meer. De minister schrapt meer nationale regelingen die het land mooi en opgeruimd willen houden. Sommige werden nauwelijks meer gebruikt, of waren dubbelop.

Het blijkt een bindend thema te zijn van dit kabinet: afrekenen met de schoonheidsidealen van botaniseertrommelaars, met geldverspilling. Alle hinder voor doeners moet worden opgeruimd, economie, economie en nog eens economie. Van buitenland- tot industriebeleid, herstel: ‘bedrijfslevenbeleid’, van kunst tot zorg tot publieke omroep – de hobbytijd is voorbij. Er moet geld worden verdiend. Dat gaat sneller zonder centrale overheid.

De retorische slingerbeweging voelt altijd goed. Wie het eigen vooroordeel bevestigd hoort, is content. Wie het ergste van deze coalitie vreesde, krijgt gelijk. De overheid als zegenrijke variant is al tien, twintig jaar in diskrediet. Daarom kon het vorige kabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie niet verder gaan dan „samen, samen, samen”.

Het is ruim baan voor snoeien in regels en begrotingen – door de immer terugtrekkende centrale overheid. De markt, de provincie en de gemeente kunnen het zelf wel af, is de gedachte. In veel gevallen is dat ook zo. Drie overheden die roeren in een project veroorzaken eindeloze procedures. Het verwarrende van de werkelijkheid is intussen dat in heel wat gevallen de beslissingen ‘omhoog’ worden gestuwd, te vaak tot aan de Raad van State.

Het Rijk en de provincie zijn ook al jaren beducht om knopen door te hakken. Van Gouda naar Leiden en de kust moest een lightrailverbinding komen. Die past in het rijksbeleid van meer oost-westrailverbindingen. De provincie wil ook. De burgers van Leiden moesten dat ding niet door de Breestraat. De provincie wilde doorzetten. Het gemeentebestuur van Leiden wisselde. Alles was weer terug bij af. Dan regeert niemand. Weer een nieuw tracé wordt onderzocht.

Wie Nederland uit de lucht nadert, buitenlandse planologen daarbij inbegrepen, ziet een nog steeds groen en aangeharkt landschap. Ondanks de sterke bevolkingsgroei en gezinsverdunning – een gezin telt nog maar 2,2 personen – is het gelukt om de Nederlandse huizenvoorraad redelijk samenhangend uit te breiden. Groeikernen, satellietsteden op afstand, lukten soms goed (Zoetermeer bij Den Haag) en soms minder (Hellevoetsluis voor Rotterdam en Lelystad voor Amsterdam).

Vinexwijken waren het volgende antwoord. Die liggen dichter bij bestaande steden. Ze bevatten minder sociale woningbouw. De vrije markt kon haar werk kon doen. Zonder deze vormen van bundeling was het land al veel verder volgebouwd met kilometerslange huisje-boompje-beestjestraten, zie Las Vegas. Ondanks deze troeven van het ruimtelijke ordeningsbeleid van de laatste decennia ging ook veel mis.

In het Groene Hart, ons nationale stadspark, zijn veel meer huizen gebouwd dan bedoeld. Overal werd eraan geknaagd. Iedere burgemeester wilde zijn uitbreidingswijkje. De peperdure HSL-tunnel onder de wei had beter kunnen worden omgezet in een echte Randstadtram.

Zo mogelijk nog kortzichtiger is dat elke snelwegafrit zijn eigen industrieterrein kreeg. Werkgelegenheidsambities dreven gemeenten tot concurrentie met grondprijzen en tot weer een nieuw bedrijventerrein. Juist daardoor lijkt Nederland meer verstedelijkt dan uit de lucht waar blijkt te zijn. Als ik de CBS-cijfers goed lees, is maar 3 procent van Nederland bebouwd, maar de snelwegpanorama’s zijn schaars.

Het blijkt vaak goed te werken als linkse politici rechtse maatregelen nemen. PvdA-ministers van Financiën zijn daarom beroemd. Misschien kan dit kabinet, dat graag rechtse, individualistisch-daadkrachtige taal gebruikt, heel praktisch en verstandig zorgdragen voor wat Nederland resteert aan leefbaar groen. Dat hoeft niet links te worden genoemd. Het is in het algemeen belang.

Het besluit om de Hedwigepolder niet onder water te zetten en voor de verdieping van de Westerschelde andere milieucompensatie te zoeken, is een voorbeeld van die pragmatische benadering. De Vlamingen zullen het vast weten te waarderen dat we Belgisch beleid zullen voeren. We gebruiken de polders bij Vlissingen twee keer als compensatie; kijken wie het merkt.

De Ecologische Hoofdstructuur, een keten van natuurgebieden waarin dieren en planten meer levensruimte krijgen, wordt weggezet als linksig concept. Dat is prima, zolang Schultz en staatssecretaris Bleker (Landbouw (en natuur), CDA) maar doorwerken en vrijkomende militaire terreinen een groene bestemming geven.

marc chavannes

E-mail de auteur op opklaringen@nrc.nl