De kersentuin zucht op de Zuidas

Het fort heet Ruigenhoek en het ligt achter een ophaalbrug, in het Zuid-Hollandse polderland bij Breukelen. Normaal gesproken kom je er niet in. Maar nu is het open, want er mogen beeldend kunstenaars huishouden. Kunst, wil ik maar zeggen, is op pad gaan en kijken of je ergens je neus in kunt steken.

Buiten het fort duiken reusgrote portretten van superhelden op. Kijk nog een keer en je ziet vaders via de blik van hun kinderen: het Dear Daddy Project van fotograaf Yeondoo Jung. Lief, ontroerend, knap gedaan. Maar dat is niet genoeg. De foto’s hebben met fort noch omgeving iets te maken, en dat diskwalificeert ze hier.

Nee, dan ín de gebouwen van het fort. Daar gedijen de installaties op vocht en grondgeur, gaan ze een verhouding aan met schimmel en schemer. Ik daal een smalle stalen trap af en beland in het fort volgens Rini Hurkmans en Hans Schouten. Achter de trap maakten ze een stilleven van stijve stapels rompertjes en hemdjes. Kaal lichtje erboven. Slik. In een hol verderop tonen ze die video: snerpende herrie en kuddes dolgedraaide opwindbeesten. Stomme grijnzen. Pret totterdood. Hier wordt het fort ontmaskerd als Plato’s grot, met het speelgoed als de schaduwen van onze doodenge werkelijkheid.

Kunst op locatie, kunst ter plekke dus. Letterlijk toegankelijk, want je kunt erin. Populair, in weerwil van wat er altijd wordt beweerd door mensen die hier ècht niet aan beginnen. Begin er wel aan en sta versteld.

Niet voor niets nemen tienduizenden mensen elk jaar weer de moeite om naar Terschelling te gaan voor het Oerol-festival. In de duinen en de stallen, aan het strand en in de straten, arriveert publiek dat er de rest van het jaar niet snel toe komt om naar theaters of musea te gaan. En weinig is ze te gek.

Ik ontsnap uit het fort, klim erop en raak aan de praat. Bent u hier maker of bewaker? ,,Gids’’, zegt hij. Hij wijst naar beneden. Daar ligt de wereldkaart in bloemen – nu is het fort een uitkijkpost uit higher sferen. Zo vervult de kunstenares Tintin Wulia het verlangen van Antoine de Saint-Exupéry’s Kleine Prins, die vindt dat ‘de geograaf’ bij het kaarten maken ten onrechte de bloemen buiten beschouwing laat. Bloemen zijn van korte duur, is diens argument. Te vluchtig om serieus te nemen.

Wie vluchtigheid vreest, blijft maar in bed, die is te lui voor avontuur. Locatiekunst betekent avontuur. Dus dring ik een wolkenkrabber aan de Amsterdamse Zuidas binnen. Mijn alibi is de voorstelling Before I Sleep van de Brit Tristan Sharps van De kersentuin. Tsjechov. Hoe zal de melancholie van zijn kersenbloesem uit het Russische fin de siècle aansluiten op dit moderne gevaarte van beton en glas?

Door te beginnen waar Tsjechov ophield: de kersentuin is omgehakt, de berooide familie heeft haar landgoed verlaten. Maar ze vergaten de hoogbejaarde bediende Firs, op wiens zorgzaamheid al heel lang niemand meer zat te wachten. Firs bleef opgesloten achter en de Amsterdamse wolkenkrabber ontpopt zich als het ideale schimmenrijk voor de oude man. Wij dolen met hem mee door het gebouw en ontmoeten zijn herinneringen. We lopen schimmen van de familie tegen het lijf; zien nog één krap bemeten, bloeiende kersenboom. Een kantoortuin verder heerst de ravage van molm en stronken.

Beneden aan de straat, in de etalage, ontvangt Firs ons, om de beurt. Kamerjas, kalotje. Hij converseert in zachtmoedig Russisch. Ik versta hem niet maar ik houd meteen van hem. Dankzij Before I Sleep op de Zuidas voel ik wat de moderne tijd is kwijtgeraakt. Voel ik dat dit leegstaande kantoorgebouw een drama is, een stronk tussen de stronken. Voel ik dat ik dat niet wil weten.

Joyce Roodnat