De belazerkunst van Erwin Olaf

Fotograaf Erwin Olaf (1959) kreeg onlangs, als derde kunstenaar na Alex van Warmerdam en Pierre Audi, de Vermeerprijs voor zijn hele oeuvre. Tot dat oeuvre behoren beroemde fotoseries als Chessmen, Royal Blood, Rain en Hope. Maar ook zijn werk in opdracht hoort erbij; minder bekend misschien, maar gemaakt met hetzelfde vermogen om de werkelijkheid op de spits te drijven. Olaf maakte reclame voor grote merken als Diesel, Microsoft en Heineken.

Op verzoek van Lux koos Olaf vier favoriete projecten die hij maakte voor verschillende opdrachtgevers. Voor meubel- en designmerk Moooi ‘schilderde’ hij zeventiende-eeuwse stillevens. Voor de lampenwinkel van lichtfabrikant Ingo Maurer laat hij zien hoe Campbell’s Soup niet gemaakt wordt, al doen reclames nog zo hun best ons dat te doen geloven. Voor de Nederlandse ambassade in Warschau fotografeerde hij een groot aantal gezichten met rood geverfde monden, om te laten zien dat iedereen Nederlander kan zijn; door een paspoort of een verfstreek. Voor The New York Times ten slotte fotografeerde Olaf homoparen die stralend barbecuen, champagne drinken of stofzuigen; zo moeten die bezigheden er in het paradijs uitzien, een paradijs dat in het werk van Erwin Olaf steevast wortelt in de jaren vijftig en in Amerika.

De werkelijkheid wordt altijd overtroffen op de foto’s van Olaf. Maar ondanks de technische perfectie, bereikt in de studio en achter de computer, is hij geen Norman Rockwell. Openlijk belazert Olaf de boel. In zijn commerciële werk misschien nog meer dan in zijn vrije werk; de context maakt de foto’s vanzelf wranger. Hoe gelikter hoe belachelijker. Kitsch kan dan weer kunst worden.