Bloggers met bagage

INTERNET Wetenschappelijke bladen binden bloggers aan zich. Maar hoe je aan hen verdient is niet duidelijk.

Carola Houtekamer

In de zomer van 2010, op 6 juli, opent Scienceblogs een blog van multinational Pepsi op zijn site. Onderzoekers van PepsiCo zullen Food Frontiers vullen met inzichten “in hoe het bedrijf producten ontwikkelt op basis van degelijke, op wetenschap gestoelde voedingsstandaarden om consumenten gezondere en lekkerdere voeding en drankjes aan te bieden.” Het netwerk, met ruim tachtig goed gelezen wetenschappelijke weblogs, krijgt daar geld voor.

De hel breekt los op Scienceblogs. Pepsi? Wetenschap? Gesponsord? Lezers zijn boos, twintig bloggers – een kwart van het totaal – stappen op. Onder hen wetenschappers, zoals de goed gelezen ‘PalMD’ met een blog over zijn leven als internist, enkele hobbyisten en een paar befaamde wetenschapsjournalisten zoals Pulitzerprijswinnaar en journaliste voor The New York Times en The Wall Street Journal Deborah Blum, wetenschapsjournalist voor The Guardian en The Atlantic David Dobbs en Rebekka Skloot, auteur van het boek The Immortal Life of Henrietta Lacks. Evolutiebioloog en atheïst Paul Myers, auteur van Pharyngula, één van de populairste wetenschapsblogs ter wereld, gaat in staking.

Voor Pepsi ook maar één inzicht kan delen, haalt uitgever Seed Media Group op 8 juli het blog weer offline. Maar het kwaad is geschied. Veel bloggers voelen zich verraden. Ze hebben jarenlang voor een fooi Scienceblogs opgebouwd tot het meest invloedrijke blognetwerk voor wetenschappers, met 2,4 miljoen unieke bezoekers per maand, en dan verkwanselt het management in één klap de reputatie van onafhankelijk platform. Een aantal bloggers zet zijn activiteiten voort op een eigen site, of begint een nieuw netwerk, zoals Scientopia.

Pepsigate

Sindsdien gaat het, verrassend genoeg, beter dan ooit met wetenschappelijke blogs. Dat beweert Bora Zivkovic, wetenschapsblogger van het eerste uur en auteur van A Blog Around the Clock in ieder geval. Ook Zivkovic verliet Scienceblogs na ‘Pepsigate’. Aan de telefoon somt hij op: “Er zijn meer bloggers en blogposts dan ooit tevoren, meer gerenommeerde wetenschappers die een blog beginnen en meer blognetwerken.” Toen veel huis-, tuin- en keukenbloggers in 2008 overgingen op Facebook en Twitter, hielden wetenschappers vol. Zij kunnen niet af met 140 tekens om een publicatie of ontdekking te bespreken of een controverse te onthullen. Zivkovic: “De rommel is er nu uitgefilterd.”

Het aanbod in onderwerpen is door de jaren heen ook gegroeid. Ageerden bloggers in de beginperiode in 2004 nog vooral tegen pseudowetenschap en creationisme, nu zijn er tal van blogs over specialistische onderzoeksgebieden, van vogelevolutie tot obesitasonderzoek. Er zijn blogs over het leven in het lab, over universiteitspolitiek en over de wereld van het publiceren, zoals Retraction Watch dat teruggetrokken artikelen bijhoudt.

Er is nog iets dat heel goed gaat, zegt Zivcovic. Het schrijfniveau. “Er zijn een heleboel bloggers die graag wetenschapsjournalist willen worden en een schrijfopleiding hebben. Er wordt beter geschreven.” Dat is interessant voor uitgevers die een breed publiek willen bereiken – en die zijn er volop.

Binnen een paar weken lanceert Zivkovic zelf een nieuw netwerk met zo’n veertig bloggers voor het populair wetenschappelijke blad Scientific American. In de nasleep van de Pepsi-affaire opende de Britse krant The Guardian vorig jaar een netwerk, technologieblad Wired laat sinds vorige jaar zomer acht bloggers op zijn site schrijven, onder wie twee ex-Sciencebloggers, en ook het wetenschappelijk tijdschrift PLOS heeft sinds afgelopen zomer zo’n vijftien bloggers (waaronder ex-Sciencebloggers) aan zich gebonden.

Scienceblogs herstelt momenteel langzaam van de affaire. De groei in het aantal bezoekers is afgenomen en er zijn nog maar zo’n vijftig bloggers actief. Maar in april nam de National Geographic Society het dagelijks beheer van de site over en community manager Wes Dodson hoopt dat die deal het netwerk weer een nieuwe impuls zal geven.

De voordelen van bloggen voor een blad zijn groot voor beide partijen. De bloggers, die dat vaak naast hun baan als wetenschapper doen, mogen schrijven onder de naam van een gezaghebbend tijdschrift of gezelschap. Ze krijgen bovendien technische support en een beetje geld. De tijdschriften vullen op hun beurt goedkoop hun site met verfrissende en kwalitatief goede artikelen, waarmee ze veel bezoekers kunnen trekken. En het staat goed. Zivkovic: “Leuke bloggers als logo is een plus.”

Dertig verdienmodellen

Maar een groep matig betaalde bloggers is niet gemakkelijk tevreden te houden. Auteurs op Scienceblogs pikten het niet dat het management gesponsorde blogs toeliet en stapten met veel kabaal op. Bloggers van Nature Network – nog een blognetwerk – verlieten verontwaardigd de site en begonnen Occam’s Typewriter, omdat ze de communicatie en de technische ondersteuning van Nature slecht vonden.

Hoe je aan je bloggers kunt verdienen is ook nog niet ontdekt. Geld moet bij het netwerk van Scientific American komen uit advertenties, verkoop van applicaties, boeken, en kaartverkoop voor optredens van sterbloggers. Of dat gaat lukken? Zivkovic: “Er zijn wel dertig verdienmodellen. We moeten alles proberen.” Hij staat in elk geval geen gesponsorde blogs toe en geeft zijn auteurs een vast bedrag per maand, in ruil voor een minimaal aantal blogs. Hoeveel wil hij niet zeggen, maar het is “niet veel.” Hij laat de beloning niet afhangen van de bezoekersaantallen, zoals Scienceblogs. “Dan gaan mensen gekke dingen doen om lezers te trekken.”

Vooralsnog beperkt het succes van wetenschappelijk bloggen zich tot de Engelstalige wereld. Er bestaat een enkel Russisch, Frans en Chinees blognetwerk en Scienceblogs heeft dependances in Duitsland en Brazilië. Maar in Nederland zijn wetenschappelijke blogs nog nauwelijks georganiseerd, en niemand probeert eraan te verdienen. Op Science Palooza (‘scherp en verantwoord wetenschapsnieuws’) blogt een groepje van zo’n twintig jonge wetenschappers met grote regelmaat, maar verder zijn het vooral losse blogs van afdelingen, voorlichters of redacties van populair wetenschappelijke tijdschriften en tv-programma’s.

Eén van de weinige hoogleraren die actief een blog over zijn vakgebied bijhoudt is Henkjan Honing, hoogleraar muziekcognitie aan de universiteit van Amsterdam. Hij kent geen blogs van Nederlandse collega’s. Hij beleeft zelf veel lol aan het bijhouden van zijn Engelstalige blog, zegt hij aan de telefoon. “Ik kan op mijn blog onderzoeksideetjes uitproberen, ik krijg reacties van collega’s en ik maak het vakgebied zichtbaarder voor studenten en het publiek.” Het kost wel veel tijd, ja. “Maar na vijf jaar bloggen is het een heel archief geworden waar ik studenten naar kan verwijzen. Dat scheelt ook tijd.”

Niemand moedigde Honing ooit aan om te bloggen. “Integendeel. Mijn baas vroeg: heb je daar wel tijd voor?”

NWO en de KNAW hebben ook geen beleid om wetenschappers aan het bloggen te krijgen. De Amerikaanse National Science Foundation doet dat wel. Het NWO laat weten kennisoverdracht te stimuleren, maar onderzoekers mogen zelf weten of ze dat via evenementen, boeken of blogs doen. De KNAW is van mening dat blogs belangrijk kunnen zijn om wetenschap bekend te maken bij het publiek, maar stimuleert het ook niet expliciet. KNAW-voorzitter Robbert Dijkgraaf: “Ik heb begrepen dat blogs eigenlijk alweer verleden tijd zijn en dat ik nu moet communiceren via Twitter en Facebook.”

Dijkgraaf volgt zelf het Nature-nieuwsblog The Great Beyond, het blog Cosmic Variance over moderne fysica en de blogs van topwiskundigen Terence Tao en Timothy Gowers. Maar hij blogt niet, uit tijdgebrek en omdat hij zichzelf al vaak genoeg uit, in columns en lezingen. “Maar als onderzoekers de tijd willen nemen om anderen mee te nemen in hun fascinatie, dan is dat zeer welkom.”

Blognetwerken: Scienceblogs.org, Scientopia.org, Occamstypewriter.org, blogs.discovermagazine.com, Sciencepalooza.nl

Blogverzamelsites: scienceblogging.org, researchblogging.org, scienceseeker.org