Benghazi is bevrijd, maar wel in geldnood

Het is rustig geworden in Benghazi, de Libische rebellenhoofdstad. Maar vier maanden oorlogseconomie beginnen hun tol te eisen.

Als de koers van de dinar tegenover de dollar een graadmeter is, dan is de bevolking in Oost-Libië voorzichtig optimistisch over de uitkomst van de opstand tegen kolonel Moammar Gaddafi. In oorlogssituaties is de dollarkoers – bij gebrek aan opiniepeilingen – altijd een handig meetinstrument. Een hoge dollarkoers betekent dat veel mensen het land uit willen. Stijgt echter de lokale munt, dan is dat een teken van vertrouwen in de toekomst van eigen stad of land.

„Ik koop dollars voor 1,6 dinar”, zegt Ahmad Muhaned Mohammad, 25, in de goudsoek van Benghazi, waar de zwartemarkthandelaars in dollars zich ophouden. Mohammad is student geneeskunde, maar de universiteit is dicht. En banen zijn er op dit moment nauwelijks.

De toestand is slechter geweest, en de dollarkoers hoger: toen de troepen van Gaddafi op 19 maart bijna Benghazi heroverden was de dollarkoers op straat maar liefst 1,8 dinar. Maar toen de rebellen eind maart even aan de winnende hand leken, zakte de koers op de zwarte markt tot bijna de officiële koers van 1,3 dinar voor de dollar.

Vier maanden na het begin van de Libische opstand is Benghazi niet langer de heldhaftige hoofdstad van de opstandelingen. Het oostelijk front bij Brega is al maanden stabiel; de echte oorlog tegen Gaddafi speelt zich nu af in Misrata, Zawiya en in berbergebied in de Westelijke Bergen nabij de grens met Tunesië.

Benghazi zelf maakt een vredige indruk. Weg zijn de tanks en de pick-ups met kleurrijk uitgedoste rebellen die de straten onveilig maakten. Weg zijn de burgerwachten die hun buurt beschermden tegen een Gaddafi-aanval. In april maakten de posters waarop mensen gevraagd wordt om alsjeblieft niet in de lucht te schieten nog weinig indruk. Nu zijn geweervuur en explosies zeldzaam geworden in Benghazi, enkele afrekeningen tussen criminele bendes en een granaataanslag tegen het Tibesti-hotel in mei buiten beschouwing gelaten. „We hebben de mensen duidelijk gemaakt dat wie nog nodeloos in de lucht schoot, zou worden beschouwd als een Gaddafi-aanhanger en als dusdanig behandeld. Dat heeft indruk gemaakt,” zegt Mohammed Kish, een woordvoerder van de rebellenregering.

Maar vier maanden oorlogseconomie beginnen in Benghazi hun tol te eisen. De schaarste van de dollar is ook een gevolg van het feit dat de Libische economie op apegapen ligt.

„Libië heeft altijd maar één exportproduct gehad en dat is olie”, zegt Hamdi Zew, manager van de Mediterranean Bank in Benghazi. „Omdat de olie-export al maanden stilligt, gaat er alleen nog maar geld naar buiten. Dan krijg je op de duur natuurlijk een probleem.”

Het is niet druk in de bank. Wie dat kon heeft bij het uitbreken van de opstand in februari zijn geld van de bank gehaald. Sindsdien heeft de rebellenregering strenge limieten ingesteld op geldopnames. Dollars zijn officieel alleen te verkrijgen voor wie voor medische behandeling naar het buitenland moet. Wie toch zijn geld naar de bank brengt, wordt bij de deur opgewacht door mensen die voorstellen om de cash in ontvangst te nemen in ruil voor een bankoverschrijving.

Het liquiditeitstekort is een probleem omdat alles wat in Benghazi te koop wordt aangeboden, moet worden geïmporteerd uit buurland Egypte en betaald met deviezen. Dat zorgt onvermijdelijk voor inflatie.

In de goudsoek doen de handelaren goede zaken, omdat steeds meer mensen hun juwelen verkopen voor cash. De bustes in de etalages van de goudzaken zijn naakt, omdat niemand op dit moment juwelen koopt. „Iedereen verkoopt zijn goud,” zegt goudhandelaar Ahmad Muhammad. „Ik heb zelf de juwelen van mijn vrouw verkocht omdat de prijzen voor geïmporteerde producten zo hoog zijn.”

„Het is nog niet zo erg dat mensen hun goud moeten verkopen om te kunnen eten,” zegt bankmanager Zew. „Maar we staan niet ver van een ineenstorting van het financieel systeem. Als dit nog een maand zo doorgaat, dan staat ons een catastrofe te wachten. Dan krijg je gegarandeerd armoede, honger en criminaliteit.”

Op het terras van het Al-Fadeel-hotel lurkt de adviseur van minister van Financiën Ali Tarhouni nog eens peinzend aan zijn waterpijp. De zonsondergang werpt een zacht licht over het gazon en de Middellandse Zee. Aan de rand van het water doen westerse bodyguards push-ups. De oorlog lijkt hier ver weg.

„De gebeurtenissen van de laatste maanden zijn een mooie illustratie van het feit dat de Libische economie niet levensvatbaar is zonder olie”, zegt de adviseur, die anonimiteit vraagt omdat hij geen toestemming heeft met de media te praten. „Wij draaien nu op nul procent inkomsten en honderd procent import.”

Daar komt bij dat de rebellenregering het geld dat in Benghazi in voorraad was, hard nodig heeft om de opstandelingen in Misrata, Zawiya en de Westelijke Bergen van geld en wapens te voorzien. Er gaan regelmatig boten met wapens van Benghazi naar belegerd Misrata, en van daaruit met kleinere bootjes richting Zawiya. Saleh el Gazel, de burgemeester van Benghazi, trok afgelopen week eigenhandig naar de Westelijke Bergen om daar overheidslonen uit te betalen.

De adviseur ontkent niet dat Benghazi met een probleem zit, ook al deelt hij niet het pessimisme van de bankdirecteur. „Wat hier gebeurd is, is het equivalent van een run on the bank. Er is het risico van een volledige dollarisering van de economie.”

Op de korte termijn is er geld van de centrale bank naar het banksysteem gesluisd om het vertrouwen in de banken te herstellen. „We moedigen de mensen aan hun geld terug naar de banken te brengen”, zegt de adviseur zonder veel overtuiging. Op de lange termijn, zegt hij, is de enige oplossing een overwinning op het regime van Gaddafi. „Maar het is met het geld zoals met de wapens: Gaddafi heeft er altijd meer van.”