België, dat land van woekerende lintbebouwing

Minister Schultz kondigde aan dat Nederland toe is aan minder ruimtelijke ordening. Zij vond België een voorbeeld om te volgen. Maar Marc Reynebeau wist niet wat hij hoorde. België is een land vol rommel.

Minister Melanie Schultz (Infrastructuur en Milieu, VVD) heeft aan haar jeugdjaren in België kennelijk niets dan prettige herinneringen aan de ruimtelijke ordening daar overgehouden. Dat ze die Nederland nu als voorbeeld wil voorhouden, is ongetwijfeld een klassiek geval van hoe de herinnering aan een idyllische kindertijd het volwassen oordeel kan vertroebelen.

Het belangrijkste kenmerk van de ruimtelijke ordening in België is dat de overheid zich daar weinig en het liefst in het geheel niet mee bemoeit. Dat zal een liberaal minister als mevrouw Schultz ongetwijfeld principieel al erg sympathiek vinden. Maar het resultaat is er ook naar. Als het gebrek aan overheidsregulering in België al tot iets heeft geleid, is dat vooral ruimtelijke chaos, milieuschade en landschappelijke verrommeling. En veel pijn aan de ogen.

Zeker, er bestaan ruimtelijke structuurplannen en wetgeving over stedenbouw en ruimtelijke ordening en de bescherming van monumenten. Nog niet zo lang en niet zo veel, en ook in het toepassen van de wet is fanatisme nergens voor nodig, maar toch. Wat en waar iemand iets wil bouwen, laat de Belgische overheid niettemin graag over aan wat de minister in de Tweede Kamer zo keurig ‘het particulier opdrachtgeverschap’ noemde.

Vrijheid blijheid, fijn. Tot het bijvoorbeeld, zoals de jongste jaren wel vaker is gebeurd, eens hard gaat regenen, waterlopen overstromen en het water kniehoog in de huizen staat. Waarna het nationale rampenfonds met belastinggeld de schade mag vergoeden. Die huizen blijken dan in een zogeheten overstromingsgebied te staan. Iedereen kon dat weten, want een ‘watertoets’ hoort dat vooraf te onderzoeken. Maar toch mag een negatief advies maar zelden een hinder zijn. Het gemeentebestuur kan daar wel de wenkbrauwen bij fronsen, maar in België worden niet alleen wethouders, maar ook de burgemeester verkozen. En lokale politici hebben niet altijd veel zin om bouwlustige kiezers tegen de haren in te strijken.

En bouwlustig zijn ze allemaal, want de Belg is, zo heet het, geboren met een baksteen in de maag. Het is een ongeneeslijke afwijking. Ze is een mythische interpretatie van een wet van kort na de Tweede Wereldoorlog, die mensen via goedkope leningen wou aansporen om huiseigenaar te worden. Daarachter ging de christen-democratische berekening schuil dat wie een huis bezit, iets te verliezen heeft en daarom weinig geneigd is tot politieke avonturen, om voor de socialisten, laat staan de communisten te stemmen.

De mechanisering van de landbouw maakte daar de percelen voor vrij. Landbouwgrond werd op grote schaal in bouwkavels opgedeeld. Waar eens de aardappelen groeiden, rezen nieuwe woonwijken op. De verkaveling! Het woord klinkt nog altijd als een vloek. Zo raakte het hele landschap versnipperd. Zeker in het dichtbevolkte centrale deel van Vlaanderen is amper nog open ruimte te vinden. Elk jaar ruimt 200 hectare Vlaams bos de plaats voor nieuwbouw.

En het mag flink dichtslibben. Eens het huis er staat, beginnen de Belgen er manhaftig een almaar uitdijende reeks bouwsels achteraan te timmeren, de zogeheten koterijen of, in de officiële terminologie, aanhorigheden: achterkeukens, veranda’s, stallen, garages, tuinhuizen, wasplaatsen, fietsstallingen, hobbyruimtes, rommelhokken of, tegenwoordig steeds vaker, een zwembad.

Voorts wonen Belgen graag langs de wegen die zich door het landschap slingeren. Het gevolg is een overal woekerende lintbebouwing: tot ver buiten de dorpskernen uitwaaierende slierten huizen met permanente verkeersdrukte aan de voordeur. En begin daar maar eens openbaar vervoer te organiseren of nutsvoorzieningen aan te leggen.

Het is, kortom, een nachtmerrie voor planologen en het kost handenvol geld. Maar eerlijk is eerlijk, deze chaos heeft ook een voordeel. Twee zelfs. Eén, het land heeft nooit de woningnood gekend die Nederland zo lang heeft geteisterd. En twee, de Belg woont ruim, comfortabel en naar Europese normen niet al te duur, als een heertje in zijn kasteeltje. Het bij voorkeur zelfgebouwde huis is nu eenmaal het ultieme bewijs van succes in het bestaan. Ouders helpen hun kinderen daar graag bij door hun ‘een bouwgrond’ cadeau te doen, een perceel, meestal in de buurt van het ouderlijke huis, dat vaak lang braak blijft liggen, tot het nageslacht genoeg heeft gespaard om aan de eigenlijke bouw te beginnen.

Wat dan precies wordt opgetrokken, ook dat staat iedereen vrij. Een of andere schoonheids- of welstandscommissie op zijn Nederlands komt er nooit aan te pas. Als de architect het gebouwd krijgt, is het al goed. Het Nederlands schiet tekort om te beschrijven welke visuele gruwel daarvan het resultaat is. Hoe kapitaler de villa, hoe groter het risico dat de bouwheer zich torentjes en zuiltjes en frontonnetjes en fonteintjes en terrasjes en andere kitsch kan permitteren, een risico dat hij nooit halfhartig uit de weg zal gaan.

De Spaanse villa, de Zwitserse chalet, de Mexicaanse haciënda, de Canadese blokhut of de Engelse cottage – de Belgische bouwer laat er zich graag door inspireren. Als hij al niet kiest voor de fermette, een als imitatiehoeve opgetrokken of verbouwd huis met een antiek karrenwiel tegen de gevel, die de geïdealiseerde Vlaamse agrarische tradities in de herinnering moet houden.

Met deze – laat ik het beleefd formuleren – eclectische smaak geeft de Belg in bakstenen gestalte aan zijn persoonlijkheid, zijn status en zijn dromen. Met zijn bouwstijl manifesteert hij zich ongegeneerd in de openbare ruimte. Dat hij wel eens de esthetische opvattingen schokt van degene met wie hij deze ruimte deelt, is van minder belang.

Want o wee, wie er iets van zegt. Een wethouder die een Spaanse villa niet erg passend vond in zijn Brusselse randgemeente en mopperde dat hij niet over de macht beschikte om de bouw ervan te beletten, kreeg via de lezersrubriek van de populaire krant Het Laatste Nieuws het halve land over zich heen: ‘Typisch Vlaamse kneuterigheid. Waar haalt iemand zoveel eigendunk vandaan om de smaak van anderen te veroordelen en zelfs te gaan verbieden?’ Want ja, een verbod zou neerkomen op het jammerlijke fnuiken van iemands identiteit.

Zo staan ook de rijwoningen tegen elkaar aangeschurkt: bakstenen gevels tussen betegelde en bepleisterde gevels, hoge daken, lage daken, platte daken, zadeldaken in alle denkbare variëteiten door elkaar. Al hep ook hier het nadeel zijn voordeel. Lelijk en chaotisch is het wel, maar zo saai als een Vinexwijk wordt het nooit.

De interessantste eigenaardigheid is de zogeheten halfopen bebouwing. Dat is een huis waarvan voor-, achter- en één zijkant vrij staan. Het is de bedoeling dat de buur zijn huis tegen de ander zijgevel zal bouwen. Maar die buur heeft per definitie heel andere architecturale opvattingen. Het resultaat is dat huizen in totaal verschillende stijlen per twee tegen elkaar leunen, met een dakgoot die links tien centimeter lager hangt dan rechts en met een pannendak dat een halve meter boven het met leistenen beklede dak van de buur uitsteekt,

Of de buren talmen met bouwen (ze zijn nog dapper aan het sparen), zodat daar soms decennialang als het ware een half huis staat, met één raamloos, soms met vellen plastic tegen de regen afgeschermde zijkant. Dat beeld illustreert als geen ander dat een gebrek aan planning en organisatie geen vrijheid oplevert, maar alleen in het gebrek blijft hangen.

Moet België het nu al ruim een jaar zonder regering stellen, in de ruimtelijke ordening en het natuurbeheer lijkt er zelfs nooit een te zijn geweest. De vorig jaar gestorven Brits-Amerikaanse historicus Tony Judt schreef ooit dat te veel staat hebben nooit een goed idee is, maar dat België bewees dat je ook te weinig staat kunt hebben. De aanblik van het land bewijst dat elke dag.

Melanie Schultz kan de proef op de som nemen en eens terugkeren naar de plek van haar jeugdidylle. Statistisch gesproken zal daar nu een laag beton over uitgestort liggen.

Marc Reynebeau is columnist van de Vlaamse krant De Standaard. Hij was twaalf jaar wetenschappelijk medewerker van de Erasmus Universiteit Rotterdam.