Posterijen na koersval een logisch staatsbelang

Toeval bestaat niet. Het kabinet-Rutte gaat opeens serieus aan industriepolitiek doen en de volgende kans is een koopje: de posterijen, die tegenwoordig PostNL heten.

Tot vorige week was industriepolitiek een besmet woord. Dat deed teveel denken aan de jaren zeventig van de vorige eeuw en sigaren rokende topambtenaren die het beter wisten dan ondernemers en met overheidssubsidies zieltogende bedrijven overeind hielden.

Nee, de nieuwe industriepolitiek combineert Hollandse zuinigheid met een vleugje Frans elan.

Nu zegt minister van Financiën Jan Kees de Jager (CDA) doodleuk in de Tweede Kamer dat de overheid best 5 à 10 procent van de aandelen ABN Amro kan houden na de privatisering. De bank zit in de vitale financiële infrastructuur.

De overheid kocht de bank tijdens de financiële kladderadatsch van 2008. Een jaar daarvoor was ABN Amro à 72 miljard euro verkocht aan een consortium van drie concurrenten die de bank opbraken in drie delen. Toen zag het kabinet, inclusief staatssecretaris De Jager (Financiën), geen reden om dat te voorkomen. Maar nu moet een staatsbelang een nieuwe uitverkoop plus een nieuwe kans op splitsing bij voorbaat voorkomen.

President Nout Wellink van De Nederlandsche Bank en voormalig ABN Amro topman Rijkman Groenink moeten wel raar opgekeken hebben van het voortschrijdend inzicht in Den Haag. Met de kennis van nu hadden zij meer gelijk dan het toenmalige kabinet, erkent het huidige kabinet.

Vervolgens besloot het kabinet dat twee staatsbedrijven op de energiemarkt, Gasunie (beheerders gasnet) en Tennet (beheerder hoogspanningsnet), private aandeelhouders mogen zoeken. Zo werkt de Franse staat ook.

Het kabinet denkt zelf minder te betalen voor de investeringen in de uitbreidingen van de activiteiten die Gasunie en Tennet in Duitsland hebben gekocht. Maar particuliere beleggers zullen alleen geld storten als zij een adequaat rendement krijgen. Dat wil zeggen: als de onafhankelijke tariefregelaars zoals de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) toestaan dat de tarieven voor consumenten en bedrijven verhoogd worden zodat de beheerders genoeg winst maken.

Wie gaan het geld op tafel leggen? Ik tip Nederlandse infrastructuurbeleggingsfondsen, zoals die van NIBC en Rabobank, en een paar buitenlandse investeerders, zoals het staatsinvesteringsfonds van Qatar, de Franse bank Caisse des Dépôts en Li-ka Shing, entrepreneur te Hongkong(vorige week 83 geworden), die vorig jaar een Brits hoogspanningsnet kocht.

Nu het kabinet nut en noodzaak onderkent van gezamenlijke private en publieke belangen in vitale sectoren van de economie is de volgende investering nabij: PostNL.

De posterijen bleven over nadat TNT zich vorige maand opsplitste en TNT Express heeft afgestoten op de beurs. Beleggers dachten dat het voordelen had. Voormalig topman Peter Bakker van TNT vierde de splitsing in een recent interview nog als een beslissing waarop hij eerder had moeten aansturen. Maar beleggers gaven TNT en PostNL een rauwe ontvangst. De koers van PostNL is inmiddels met 20 procent gekelderd tot onder 6 euro vanochtend.

Het echec van de een is de kans voor de ander. Op de beurs is PostNL nu 2,2 miljard euro waard, dat is nog minder dan de bandbreedte van 2,5 à 4 miljard die de SP anderhalf jaar geleden in gedachten had toen de partij nationalisatie van de posterijen voorstelde. Maar wacht, het is nog mooier. PostNL bezit nog 29,9 procent in TNT Express, dat is nog eens 1,1 miljard waard. Dus: je koopt de post voor ruim 1 miljard euro, je legt er een overnamepremie van 50 procent bovenop en je bent voor 1,6 miljard klaar.

Evenals ABN Amro, Gasunie en Tennet is de post onderdeel van de vitale Nederlandse infrastructuur. Daar moet de staat toch vanzelfsprekend ook als aandeelhouder bij zijn. PostNL is nu dusdanig goedkoop dat belangstelling of overname door Franse of Duitse concurrenten of van private-equityfinanciers voor de hand ligt. Niks mis mee, maar het beste is dat de overheid als (groot)aandeelhouder de Nederlandse belangen waarborgt bij een Europese grensoverschrijdende samenwerking.

MENNO TAMMINGA