'Plots is het geen rare muziek meer'

Waarom hebben we meer moeite met ‘moderne’ muziek dan met oude? Het gezelschap Bl!ndman onderzoekt in Utopia 47 de concertconventies.

Muzikanten van het Bl!ndman-collectief in de Antwerpse concertzaal DeSingel. Foto Katrijn van Giel ensemble Bl!ndman, dat een muziektheatrale voorstelling maakt voor het Holland Festival. katrijn van giel katrijn van giel

Een piratennest vol musici, met een zangeres in de nok. Daarop lijkt de stellage op het podium van de Antwerpse concertzaal DeSingel. Er wordt gewerkt aan de voorstelling Utopia 47, die dinsdag op het Holland Festival in première gaat.

Nu wordt er nog volop geschaafd aan licht, videoprojecties, en de juiste intonatie van de Italiaanse mezzosopraan Cristina Zavalloni. „Het moet een contemplatieve ruimte worden,” zegt Sleichim na afloop. „Een ruimte waarin je als toeschouwer bevraagd wordt.” Hij richtte Bl!ndman eind jaren tachtig op als saxofoonkwartet. Later kwamen er vier strijkers, vier slagwerkers en vier zangers bij, en maakte het kwartet van kwartetten voorstellingen met oude en nieuwe muziek, deels overlappend, en gecombineerd met beeld en theater.

In Utopia 47 worden de concertconventies letterlijk ter discussie gesteld. De voorstelling begint als een doodgewoon concert met muziek van Heinrich Schütz (1585-1672), één van de grootste Duitse componisten op de grens van renaissance en barok.

Vooraf geeft Sleichim zelfs een ‘concertinleiding’, waarin hij uitlegt dat Schütz’ orkest tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) werd gedecimeerd. „De muzikanten zaten in het leger, waren op de vlucht of dood,” aldus Sleichim. „Schütz moest dus voor rare, kleine bezettingen componeren, terwijl hij zelf ook vrouw en kinderen verloor. In Fili mi Absalon bezingt Koning David de dood van zijn zoon. Het is een Bijbels verhaal, maar voor Schütz zelf ook realiteit. Je stérft gewoon, zo mooi is die muziek.”

Na een paar stukken zal Sleichim het concert onderbreken voor verdere uitleg, en ontstaat er zelfs discussie met twee ‘live’ via webcam geraadpleegde experts. “Dat raakt de cruciale vraag: waarom is het honderd jaar na Schönberg voor velen nog altijd moeilijk om van hedendaagse muziek te kunnen genieten? Eén van de experts zweert bij de barokmuziek, met haar zuivere consonantie. De ander vraagt zich af of de twintigste-eeuwse avant-garde dan tot niets gediend heeft.”

Het tweede deel componeerde Sleichim als een mogelijk antwoord hierop. „Het is een voorstel van een model van een moderne passie,” zegt hij. „Geen Christelijk passiespel waarin zich een individu opoffert voor de massa, maar andersom: een gemeenschap die zich opoffert voor het individu.”

Voor de tekst deed Sleichim een beroep op de roman Butterfly Burning van de Canadees/Zimbabwaanse schrijfster Yvonne Vera, over een vrouw die een abortus bij zichzelf uitvoert, en zichzelf later in brand steekt omdat ze daar niet mee kan leven. Sleichim nam de vrijheid om de tekst te verplaatsen naar een oorlogssituatie, aan het eind van een nieuwe Dertigjarige Oorlog, in 2047.

De muziek is in dit deel experimenteler en abstracter dan de Schütz van het begin. Door zijn enscenering raakt het publiek er volgens Sleichim juist op natuurlijke wijze in verzeild. Sleichim: „Ze horen moderne muziek die ze anders misschien zouden mijden, maar zullen zich nu geen moment afvragen wat voor rare muziek ze horen.”

Utopia 47: a very last Passion van Eric Sleichim door Muziektheater Transparant en Bl!ndman, met Cristina Zavalloni (mezzosopraan). 21/6 Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Inl.: hollandfestival.nl