Pensioenakkoord greepuit de kas van jongeren

Het pensioenakkoord is een afspraak tussen vijftigplussers om zich rijk te rekenen, meer uit te keren en de lasten te verschuiven naar jongeren, vindt Sweder van Wijnbergen.

Het pensioenakkoord van Agnes Jongerius en Bernard Wientjes is met gejuich ontvangen. Toekomstbestendig, moedige stap, modernisering – de lof kon niet op. In werkelijkheid legt dit akkoord een web van tijdbommen onder het Nederlandse pensioenstelsel. Het dreigt een bron te worden van onwelkome volatiliteit in de belangrijkste financiële sector in Nederland. Het vertegenwoordigt een brutale graai in de kas van jongeren door de vijftigplusgeneratie, die exclusief de onderhandelingen voerde.

Allereerst de overstap naar een „reële ambitie” – geïndexeerde uitkeringen – en het loslaten van harde garanties voor vaste nominale uitkeringsbedragen. Wat is daar nieuw aan? De pensioenfondsen hebben al sinds begin jaren negentig een ‘reële’ ambitie: indexatie is de regel tenzij een te laag eigen vermogen – te lage buffers – dwingt tot uitstel van die indexatie. In goede jaren wordt dat dan weer ingehaald. Harde nominale garanties hebben nooit bestaan. De Pensioenwet kent al jaren de verplichting om pensioenrechten te korten als een pensioenfonds een negatief eigen vermogen heeft zonder realistische kansen op herstel. Nominale bedragen waren een ondergrens die zo hard was als de financiële dekking ervoor, niet meer dan dat.

Het is duidelijk waarom de onderhandelpartijen dit schimmenspel opvoeren. Door het loslaten van de fictie van een harde garantie beweren ze niet meer het lage, maar zekere rendement te hoeven gebruiken bij het waarderen van hun verplichtingen, maar het veel hogere gemiddeld te verwachten rendement, inclusief de premie op risico’s van aandelen. Voor de berekening van het eigen vermogen moeten we de dagwaarde weten van alle verplichtingen in de toekomst. Daarom moet een bedrag worden berekend dat vandaag evenveel waard is als al die toekomstige verplichtingen. Dat gebeurt door ze te verdisconteren. De toekomstige verplichtingen worden vergeleken met een bedrag dat, als het een bepaalde rente zou verdienen, precies zou uitgroeien tot die verplichting in de toekomst. Dat valt lager uit als je een hogere rente hanteert: als je meer krijgt, heb je minder startkapitaal nodig om hetzelfde einddoel te bereiken. De partijen willen daarom een hogere rekenrente. Zo daalt de dagwaarde van toekomstige verplichtingen, stijgt dus het eigen vermogen en kan misgelopen indexatie van de afgelopen jaren alsnog worden uitgekeerd, ten faveure van de vijftigplusgeneraties.

Dit alvast inboeken van hoge rendementen gokt erop dat na slechte jaren goede jaren komen, als je lang genoeg wacht – maar de Nederlandse fondsen vergrijzen steeds meer. Dan kan een tegenvaller van nu niet meer worden opgevangen door latere meevallers: oude fondsen hebben een dalend belegd vermogen. Dan kan zelfs in de goede jaren de huidige tegenvaller niet worden terugverdiend. Dan draaien de jongere deelnemers ervoor op. Zelfs als dat uitmiddelen wel zou kunnen, is het niet gegarandeerd: een risicopremie, door middel van extra verdiensten op aandelen, blijft een premie voor risico. Dat kan dus altijd mislopen. De jongeren moeten dat dan betalen.

Verder zien de partijen niet de noodzaak in van eigen vermogen – buffers – nu harde garanties niet meer bestaan. Het opgeven van buffers is geen structurele verlaging van pensioenlasten, maar een ordinaire, eenmalige greep in de kas. Ook deze eenmalige actie moet leiden tot versnelde (inhaal)indexatie voor vijftigplussers. Dat gaat weer ten koste van jongeren. Zij krijgen veel frequentere kortingen, omdat elke tegenslag direct negatief eigen vermogen oplevert. Deze greep in de kas veroorzaakt ook extra volatiliteit in de pensioensector, zoals Lex Hoogduin van DNB terecht opmerkte.

Ook onder de AOW wordt een tijdbom gelegd. De sociale partners gaan daar helemaal niet over, maar voor de lieve vrede dreigt minister Kamp (Sociale Zaken, VVD) mee te gaan met hun plannen. Ook de AOW heeft een vergrijzings-probleem. Dat wordt snel zichtbaar. Pensioenen worden rechtstreeks betaald door werkenden – omslagsysteem – in plaats van indirect, via kapitaalsopbouw. De AOW raakt evident in zwaar weer als steeds minder mensen werken en steeds meer mensen met pensioen zijn. De verhouding tussen werkenden en pensionado’s kan alleen worden rechtgetrokken door een hogere pensioenleeftijd. De partijen nemen de slappe oplossing van het regeerakkoord over. In 2020 stijgt de AOW-leeftijd met een jaar. Dit is aangekondigd als een moedige stap. Het is een besluit om niets te doen en in 2019 verder te praten. Zo je kop in het zand steken voor deze onvermijdelijke demografische transitie doet het probleem niet verdwijnen. Het laat oude rechten in stand. Dat gaat ten koste van een veel grotere klap in de toekomst. Weer krijgen de jongeren een tijdbom toegeworpen door de ouderen.

Daarbij laten de sociale partners het niet. Jongerius heeft aan het begin van de onderhandelingen de onhoudbare positie ingenomen dat aan de pensioenleeftijd niet zou worden getornd. Dat gebeurt nu wel, maar met de mogelijkheid van vroegpensioen tegen een licht gesubsidieerde, permanente korting van 6,5 procent per eerder genomen jaar. Om Jongerius’ politieke gezicht te redden, komt er ook een structurele verhoging van de AOW- indexatie met 0,6 procent per jaar boven op de cao-lonen, opdat je over tien jaar inderdaad op je 65ste met pensioen kan gaan tegen hetzelfde – welvaartsvaste – AOW-bedrag als nu. De winst van de verhoging van de pensioenleeftijd wordt daarmee ongedaan gemaakt. Het enige goede aan het akkoord is de koppeling van de pensioenleeftijd aan de dan geldende levensverwachting vanaf 2020.

Het pensioenakkoord is geen moedige stap voorwaarts, maar een rechtstreekse bedreiging voor de houdbaarheid van ons pensioenstelsel ten gevolge van ongegeneerd graaien in de pensioenkassen door vijftigplussers, ten koste van jongere generaties. Zullen jongeren blijven doorfeesten terwijl de tijdbommen van de vijftigplussers doortikken?

Sweder van Wijnbergen is hoogleraar economie aan de UvA.