Ik denk dat het moet doen, zei ik ik

Haar bekentenis van de moord op ‘landverrader’ Felix Guljé was niet bedoeld voor de openbaarheid. Maar zijn familie had er recht op, vond Atie Visser. „We hadden hem beter kunnen ontvoeren.”

Voor een 96-jarige heeft ze een strijdlustige blik. Atie Ridder-Visser oogt fragiel, maar heeft een heldere geest. „Kom dichterbij zitten”, gebaart de voormalige verzetsvrouw, terwijl zij wat krantenknipsels over zichzelf van tafel schuift. „Ik ben stokdoof.”

Ruim een week geleden werd Ridder-Visser ongewild wereldnieuws. In een brief aan de Leidse burgemeester Henri Lenferink bekende het voormalig lid van de landelijke knokploeg van de geëxecuteerde verzetsheld Marinus Post dat zij het was die indertijd Felix Guljé had vermoord. Deze prominente ondernemer werd op 1 maart 1946 in de deuropening van zijn huis in Leiden doodgeschoten.

Ridder-Visser, die nu in Rotterdam woont, dacht dat Guljé tijdens de oorlog met de Duitsers had gecollaboreerd. Later bleek dat hij hulp aan Joden had geboden.

Ze wilde haar daad voor haar overlijden opbiechten aan de familie van Guljé. Maar omdat ze niet over adressen beschikte, schreef ze afgelopen maart naar de burgemeester van Leiden. „Een paar maanden later later zocht hij mij thuis op. We spraken uitvoerig over de brief. Aan het eind van het gesprek beloofde hij de inhoud niet openbaar te maken. Alleen de familie van Guljé zou op de hoogte worden gebracht.”

U wilde niet dat uw brief openbaar werd gemaakt?

„Nee. Het was iets tussen de familie en mij. De rest van de wereld heeft er niets mee te maken. Maar een week later kreeg ik opnieuw bezoek van de burgemeester. Hij zei dat hij het aan zijn functie verplicht was om openheid van zaken te geven – via het Leidsch Dagblad.”

Hoe reageerde u?

„Wat kon ik zeggen? De burgemeester veranderde van mening. Dat kan. ‘Ik zal het moeten accepteren’, zei ik tegen hem. ‘Want ik ben hier niet de eisende partij.’ Dat zei ik omdat ik mij schuldig voelde. Maar toen ik die avond op teletekst keek, zag ik mijn naam onderaan staan.”

Wat dacht u?

„Oh lieve hemel, nu gaat het balletje rollen. Er is niets meer aan te doen.”

Uw onthulling was wereldnieuws. Heeft dat u verbaasd?

„Een beetje wel. Het gaat tenslotte om een daad van ruim een halve eeuw geleden.”

Heeft u nooit spijt gehad van uw bekentenis?

„Nee, de familie van Guljé had er recht op. Ik vond het een verschrikkelijk idee dat ik zou sterven zonder dat zij wisten wie hem had vermoord. Hoe belangrijk die kennis is, merkte ik toen zijn kleinkinderen mij opzochten. Ik vertelde hun het hele verhaal. Ze begrepen het wel – enigszins.”

Wat vertelde u?

„Dat er in de oorlog ten noorden van Leiden een voor de Duitsers strategische brug stond. Vlakbij lag een bos, waar zij zich verdekt konden opstellen. Het verzet stak die houten brug in brand, maar het bouwbedrijf van hun grootvader herbouwde hem binnen de kortste keren. Dat vonden wij landverraad. Kort na de bevrijding werd Guljé opgepakt en verhoord. Twee maanden later was hij op vrije voeten.”

Wie zijn ‘wij’?

„Dick Spoor, die in de oorlog als contactman fungeerde voor onze knokploeg. Zijn vrouw. En een puberachtige jongen die mij bewonderde. Spoor en zijn vrouw woonden dichtbij Guljé en ergerden zich aan het feit dat hij was vrijgelaten. Bij onze ontmoetingen spraken wij veel over hem. En gaandeweg nam de woede toe. Nou ja, en dan neem je op een gegeven moment een besluit.”

Wie besloot dat Guljé moest worden omgebracht?

„Dat weet ik niet. Dick of ik.”

Maar u voerde het plan uit.

„Ja. Dick had een vrouw en kinderen. Ik vreesde dat hij eraan kapot zou gaan. Die puberende jongen was ook geen optie. Dus bleef ik over: een vrije vrouw, niet verloofd, kinderloos. Ik herinner me nog goed dat we naast de heg zaten, het had een beetje gesneeuwd. ‘Ik denk dat ik het maar moet doen’, zei ik.”

Later bleek dat Guljé ook Joden heeft geholpen in de oorlog. Heeft dat uw kijk op de zaak veranderd?

„Dat hij Joden heeft geholpen, las ik kort geleden in de krant. Als ik dat had geweten, had ik het niet gedaan. Het zijn verzachtende omstandigheden.

„Later dacht ik: we hadden hem beter kunnen ontvoeren. Het was maart, donker. Dan hadden we hem drie dagen kunnen vasthouden en flink kunnen bedreigen met mijn pistool.”

In die tijd werkte u als rechercheur bij de Politieke Opsporingsdienst in Leiden. U had de mogelijkheid om de verslagen van zijn verhoren grondig te bestuderen.

„De POD had inderdaad een archief. Ik was vast van plan dat door te spitten. Bewijzen te zoeken. Guljé was twee keer verhoord, dus er moesten twee verslagen in die mappen hangen. Ik zocht...maar vond niets. Zijn map was leeg. Geen idee wie de stukken eruit heeft gehaald, maar die persoon heeft hem wel een slechte dienst bewezen. Het is zijn noodlot geworden.”

U treft geen blaam?

„Nou ja, ik heb hem wel doodgeschoten – wat ik verschrikkelijk vind. Af en toe dringt het tot mij door.”

Ze pakt een krantenknipsel over haar bekentenis en staart langdurig naar de foto van Guljé.

Wat ziet u?

„Een vriendelijke man met een zwak karakter. Iemand die met alle winden meewaait. Een man die leefde voor zijn bedrijf.”

Zijn dood zorgde destijds voor veel opschudding. Hoe ging u daarmee om?

„Ik heb er niks van meegekregen.”

Niks?

„Nee. Ik las geen kranten, daar had ik geen tijd voor. Ik was druk bezig met het opsporen van mensen die in de oorlog gecollaboreerd hadden.”

De echtgenote van Guljé deed de deur voor u open, vlak voor u schoot. Toch bent u nooit verhoord. Hoe kan dat?

„De volgende ochtend stond zij bij de ingang van de opsporingsdienst: ze herkende mij niet. Veel rechercheurs vermoedden dat ik het had gedaan. Maar ze konden het niet bewijzen, hè. Ik weet nog dat ze een keer in een kring stonden te praten. Ik kwam erbij staan en ze hielden abrupt hun mond. Het ging over mij, dat was duidelijk.”

Uw collega’s hebben nooit laten doorschemeren dat ze u verdachten?

„Nee. Niemand. Maar achter mijn rug werd er gepraat. Ik was de enige strijdlustige vrouw.”

Hoeveel mensen wisten dat u de dader was?

„Dick Spoor, zijn vrouw en die jongeman. De politie is nog bij Dick geweest. Ze wilden weten wie lid was geweest van de knokploeg [van Marinus Evert Post]. Dick heeft ook mijn naam genoemd. Maar daar bleef het bij.”

De moord is al lang verjaard. Hoe zit het met uw geweten?

„Ik heb een keer overwogen mijn daad bekend te maken. Per brief liet ik dat aan Dick Spoor weten. Hij zocht me thuis op en zei: als je het bekendmaakt, zal ik je tot mijn spijt dood moeten schieten.”

Ze pauzeert even.

„Ik begon heel hard te lachen.”

Hij bedoelde het als grap?

„Het was een loos dreigement. Maar hij meende het op dat moment wel.”

Voormalig verzetsstrijders snappen niet waarom u juist Guljé heeft omgebracht. Er waren landgenoten die meer op hun kerfstok hadden.

„Wij woonden in Leiden. Guljé ook.”

Een praktische kwestie.

„Ja. En om wat hij gedaan had natuurlijk. Wij beschouwden het als landverraad. Het is een zwaar woord, maar je moet het zien in de context van die tijd.”

In 1982 ontving u het verzetsherdenkingskruis. Die onderscheiding kan niet worden teruggevorderd, maar sommigen vinden dat u het moet teruggeven.

Veert op: „Ik dénk er niet aan.”

Wat zegt u tegen degenen die daar op aandringen?

„Wegwezen! Bemoei je er niet mee!”

Dat kruis komt u toe?

„Ja, voor al mijn verzetswerk in de oorlog. Dat heeft hier niets mee te maken.”

Hoe typeert u zich als verzetsvrouw?

„In de oorlog was het man tegen man. Of vrouw tegen man. Als je op zo’n gevecht voorbereid wilt zijn, moet je hard zijn. Héél hard. En dat was ik.”