Hard leren? Mannen vinden het niet stoer

Het is heel makkelijk om het rendement van de universiteit te verhogen.

Neem alleen nog maar vrouwelijke studenten aan.

Toen het kabinet een boete voorstelde voor studenten die te lang over hun studie doen, barstte een discussie los over het zo snel mogelijk behalen van de bacheloropleiding. Hoewel de boete nu alleen nog maar de studenten treft, hebben ook de universiteiten financieel baat bij zo hoog mogelijke studierendementen. Hun inkomsten vanuit het ministerie van Onderwijs zijn immers voor een deel gekoppeld aan behaalde diploma’s.

Bij de Universiteit Utrecht (UU) zijn de rendementen over het algemeen hoger dan bij andere universiteiten. Toch neemt ook de UU allerlei maatregelen om de rendementen te verhogen, van zomerscholen tot extra herkansingsmogelijkheden. Zullen deze maatregelen het studiesucces echt vergroten? Of moet de UU iets anders doen? Als we de cijfers bekijken, zien we dat bij een bepaalde groep studenten veel meer winst te boeken is dan bij een andere. Het zijn de mannelijke studenten die over de hele linie lagere rendementen scoren dan de vrouwelijke.

De getallen tonen een duidelijk verschil tussen mannelijke en vrouwelijke studenten wat betreft de snelheid waarmee ze hun diploma’s halen. Op alle universiteiten in Nederland scoren de mannelijke studenten structureel slechter dan vrouwen – zelfs op de technische universiteiten.

Het studierendement wordt bepaald door te kijken naar het aantal studenten dat in vier jaar tijd een driejarige bacheloropleiding heeft afgerond. Van de vrouwelijke studenten die in 2006 aan de UU zijn begonnen, heeft 63 procent na vier jaar het bachelordiploma op zak. Voor de mannelijke studenten is dit slechts 44 procent. Ook als de studenten die uitvallen na het eerste jaar niet verder in de rendementscijfers worden meegenomen, blijft het verschil zichtbaar. Aan de UU behaalt dan 79 procent van de vrouwelijke studenten in vier jaar het bachelordiploma, tegen 63 procent van de mannen.

De verschillen in rendementen zijn mogelijk te verklaren uit een drietal factoren. Zo bestaan tussen mannelijke en vrouwelijke studenten neurobiologische verschillen. Vrouwelijke studenten hebben volwassener hersenstructuren dan mannen op deze leeftijd. Dit veroorzaakt een verschil in gedrag tussen de seksen. Zo zijn vrouwelijke studenten gedisciplineerder dan mannelijke studenten.

Ten tweede is het onderwijs overwegend gericht op vaardigheden waarin vrouwelijke studenten meer uitblinken dan mannen. De trefwoorden zijn samenwerking, zelfstudie – wat discipline vereist – en mondelinge presentaties.

Tot slot lijken jongens op de middelbare school meer groepsdruk te kennen dan meisjes. Zeggen dat je hard voor een toets hebt geleerd, is niet stoer. Het is mogelijk dat deze aangeleerde houding niet verdwijnt als jongens naar de universiteit gaan.

Gegeven het bovenstaande moeten universiteiten erover nadenken of het onderwijs meer zou kunnen aansluiten bij de belevingswereld van mannelijke studenten. Bij de mannelijke studenten lijken de universiteiten de meeste winst voor een hoger rendement te kunnen boeken.

Het onderwijskundig onderzoek over studiegedrag van jongens is vooral toegespitst op het basis- en het middelbaar onderwijs. Of die resultaten en de maatregelen zomaar naar het hoger onderwijs te extrapoleren zijn, zal moeten blijken. Het is in elk geval duidelijk dat universiteiten aandacht moeten besteden aan dit probleem.

Voorlopig is de gemakkelijkste weg om het rendement flink te laten stijgen. Neem dus alleen nog maar vrouwelijke studenten aan.

Karin Prummel en Monique Adriaanse zijn student-leden van de Utrechtse Universiteitsraad.