Eerst Mao, dan Louis Vuitton

Het Nationale Museum van China in Peking is vernieuwd en heropend ter ere van 90 jaar Communistische Partij.

„De omissies zijn, zoals zo vaak in China, interessanter.”

Met een strak gezicht marcheert historicus en oud-journalist Yang Jisheng (78) door de marmeren gangen van het Nationale Museum van China aan het Tiananmenplein. Uitsluitend omdat zijn kleindochter de ambitieuze expositie De weg naar vernieuwing heeft bezocht met haar middelbare school, heeft hij zijn instinctieve weerzin overwonnen tegen een bezoekje aan het pas heropende, gerenoveerde stalinistische gebouw in het hart van Peking.

„Ik ga nooit naar historische tentoonstellingen. De feiten zijn bedacht en gerangschikt door overwinnaars, niet door onafhankelijke historici. Maar nu wilde ik met eigen ogen zien wat onze jeugd wordt voorgeschoteld en waarom zij het zo mooi vond”, zegt Yang Jisheng later op de redactie van zijn maandblad Kronieken van de Geschiedenis. De voormalige journalist schreef boeken over Mao’s desastreuze politieke experimenten. Zijn boek Grafsteen (2008), over de hongersnood tijdens de Grote Sprong Voorwaarts, maakte hem beroemd. „Deze expositie is een combinatie van waarheden, halve waarheden, verdraaiingen, verzinsels en weglatingen. De omissies zijn, zoals zo vaak in China, interessanter dan de feiten”, bromt hij.

Historische exposities organiseren is in communistisch China een eenvoudige zaak. Er is één lijn: de partijlijn. Maar toch, als de hoogste leiders van de Communistische Partij (CPC) meekijken – het politbureau woont en werkt schuin tegenover het museum – betreedt de curator een mijnenveld. Dat er binnenskamers uitvoerig is gediscussieerd over de juiste interpretatie van de recente geschiedenis, blijkt volgens historicus Yang uit het feit dat het museum aanvankelijk al in 2005 en vervolgens in 2008 heropend zou worden. Die deadlines werden niet gehaald. Hij denkt dat dat komt doordat het politbureau het niet eens kon worden over de interpretatie van de feiten en over de rol van sommige personen.

Met de negentigste verjaardag van de CPC op 7 juli in aantocht en de honderdste verjaardag van de revolutie van 1911 in oktober, is het Nationale Museum van China uiteindelijk toch heropend. Het is, dankzij de Duitse architectenfirma Gerkan, Mark & Partners, van binnen lichter en toegankelijker dan verwacht. Yang heeft er geen oog voor. Hij heeft zelfs geen zin meer om de grote collectie keizerlijke kunstschatten te bewonderen en ook niet om de zuidelijke vleugel te bezoeken. Daar is op kosten van Duitse belastingbetalers de expositie De kunst van de Verlichting ingericht door Duitse staatsmusea uit Berlijn, Dresden en München. „Het Europese licht versus onze duisternis. Goeie kop boven een artikel”, constateert Yang cynisch.

De opzet is inderdaad verwarrend: een strak gecensureerde geschiedenisexpositie naast een ode aan de vrijheid van expressie. Voeg daarbij de kleine tentoonstelling van tassen en kisten van Louis Vuitton die deze week wordt geopend en de chaos aan indrukken is compleet.

De meeste Chinezen kunnen de Louis Vuitton-tassen nooit betalen. Ze zijn trouwens ook niet bereid de toegangsprijs van 1 euro te betalen om te kijken naar schilderijen van Johann Peter von Langer of naar de schoenen van Immanuel Kant. De zaal met werken van Warhol, Beuys en Pollock heet ‘Vrijheid van de kunst’. Niet verbazingwekkend dat de Chinese kunstenaar en dissident Ai Weiwei voor zijn recente arrestatie de opzet van het museum „absoluut krankzinnig” noemde.

Yang Jisheng, opgegroeid met het rode boekje en nog altijd lid van de CPC: „Dit is het moderne China ten voeten uit. We zijn een natie in ideologische verwarring, we staan op een kruispunt in onze geschiedenis en we weten nog niet welke richting we moeten inslaan. Gaan we het Westen achterna? Of kiezen we een koers die ons brengt bij de modellen in Singapore of Indonesië, landen die net als hier door kleine elites worden bestuurd?”

Niettemin valt er veel te bekijken op ‘De weg naar vernieuwing’. Historische foto’s van Chinese militaire fotografen; nieuwe realistische schilderijen met gespierde boeren en arbeiders; de galg waaraan talloze tegenstanders van Mao stierven. De tekstspanelen bevatten de onversneden communistische retoriek die in de media, in speeches en zelfs de partijpers niet vaak meer wordt gebruikt. En uiteraard is er aandacht voor de Nederlandse communist Henk Sneevliet, die in opdracht van Stalins Komintern naar China was gestuurd in 1921 om mee te werken aan de oprichting van de CPC.

Gevoelige periodes worden niet volledig verzwegen. De Grote Sprong Voorwaarts wordt aangestipt met een korte tekst over de problemen en de strijd om China te industrialiseren. Er werden zelfs „fouten” gemaakt. Volgens nieuw onderzoek van historicus Yang in 2008 en de Nederlandse sinoloog Frank Dikötter in 2011 stierven 45 miljoen boeren als gevolg van deze „fouten”.

De Grote Culturele Revolutie (1967-1977), een grootschalige en dodelijke zuivering naar Stalinistisch voorbeeld, wordt afgedaan in een onderschrift bij een foto van Mao Zedong. Ronduit verrassend is het verzwijgen van het overlijden van Mao Zedong in 1977 en de daarop volgende crises rondom het leiderschap met de vierde mevrouw Mao en haar Bende van Vier in de hoofdrol. Iedere vorm van nabeschouwing over het leven van Mao ontbreekt. Opeens, althans in de versie van de tentoonstelling, is Deng Xiaoping de overkoepelende leider en ontwikkelt China zich tot een socialistische markteconomie. Dengs witte cowboyhoed herinnert aan zijn bezoek aan de VS, maar waarom hij het revolutionaire erfgoed van Mao op de vuilnisbelt gooide, blijft onvermeld. De dag dat Deng Xiaoping het Tiananmenplein liet schoonvegen door het leger wordt met een paar foto’s en voor de goede verstaander waarneembare verwijzingen toch in herinnering gebracht.

Als Deng Xiaoping is opgevolgd door de technocraat Jiang Zemin maken de samenstellers van de expositie vaart. „Het verleden is gevoelig, het heden is nog gevoeliger, want de hoofdpersonen leven nog”, legt Yang uit. Het slot van de expositie is een aaneenschakeling van technologische en economische successen. Er worden satellieten en ruimtevaartuigen gelanceerd en en passant redt president Hu Jintao de wereldeconomie, wat niet ver bezijden de waarheid is.

„Wat niet verteld wordt, is dat het Chinese model op het oog heel succesvol is, maar dat de ongelijkheid, die altijd al heeft bestaan in de samenleving, niet kleiner is geworden”, zegt hoofdredacteur Yang. „Degenen die de zwaarste prijs hebben betaald voor de ontwikkeling van het moderne China zijn het slechtst af. Dat is niet cynisch. Dat is een feit waarover je in dat museum niets te weten komt.”