De wereld vergaat heus niet als op cultuur wordt gekort

Als je de reacties hoort, zou je denken dat kunst helemaal niet meer mogelijk is. De VS leren dat er leven is na de subsidies, schrijven Heleen Mees en Gerrit Groen.

Staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) maakte vorige week de bezuinigingsplannen bekend van het kabinet. Dit kabinet hanteert niet de kaasschaaf, snoefde het persbericht. Het maakt duidelijke keuzes. Topinstituten blijven gespaard. Voor kleine gezelschappen en individuele artiesten blijft veel minder over. Van het rijksbudget van circa 1 miljard euro gaat kwart af. Hoeveel lagere overheden – met een kunstbudget van zo’n 2 miljard euro per jaar – zullen bezuinigen, is nog niet duidelijk.

Nederland en New York met elkaar vergelijken wat kunstfinanciering betreft, is een beetje flauw. De situatie voor culturele instellingen in New York is wezenlijk anders dan de situatie buiten New York en buiten de Verenigde Staten. De toegang tot private financiering is nergens anders te vinden op dezelfde schaal. Kunst wordt in New York beschouwd als het ultieme goede doel, belangrijker dan medisch onderzoek of armoedebestrijding

In de jaren dertig, tijdens de Grote Depressie, bestond in New York ook geen traditie van geven aan de kunst. New York toont aan dat die traditie wel kan worden gecultiveerd.

Geen enkele directeur van een culturele instelling vindt een ingreep in zijn budget leuk. Toch zullen sterke instellingen slimme oplossingen vinden om te overleven. Financiering is niet de factor die een instelling maakt of breekt. Uiteindelijk zullen de visie en de veerkracht van de instelling bepalen hoe goed deze zich aanpast. Het geld volgt wel.

Noch het op publieke financiering gebaseerde model, noch het op private financiering gebaseerde model zijn uiteindelijk goed voor de kunst. Beide systemen worden gecontroleerd door het establishment – in het ene geval door ambtenaren en in het andere geval door de filantropische instellingen. Beide bergen het risico in zich dat louter middelmatige kunst wordt voortgebracht. Geen van beide modellen kan de kunst uiteindelijk echt goed dienen.

Het belangrijkste doel van kunst is om de wereld zoals wij die ervaren, in twijfel te trekken. Kunst moet pleiten voor maatschappelijke veranderingen die mogelijk noch door het publieke, noch door het private model worden ondersteund. Dat is de paradox van kunstfinanciering. Het blijft noodzakelijk om kunstenaars een ruimte te geven waarin ze de wereld ter discussie kunnen stellen.

Nederlandse culturele instellingen hebben nog steeds moeite met het aantrekken van een divers publiek. Het publiek in de hoofdstedelijke culturele instellingen bestaat voornamelijk uit hoogopgeleide, witte, vergrijzende Amsterdammers.

Door de programmering aan te passen, proberen de instellingen andere doelgroepen aan te trekken. De Stadsschouwburg is erin geslaagd om meer jongeren te trekken. Toch blijft de etnische diversiteit onder het publiek miniem. Nederland zou ook op dit punt lessen kunnen leren van de Verenigde Staten.

Carnegie Hall in New York, bijvoorbeeld, biedt door de hele Verenigde Staten lesprogramma’s aan. Het succes ervan wordt niet afgemeten aan de hand van de vraag of de leerlingen later, als volwassenen, de prestigieuze concerthal zullen bezoeken. Het lesprogramma wordt al als een succes beschouwd als leerlingen talent en belangstelling voor muziek ontwikkelen. Anders dan in Nederland wordt dit niet gezien als een survivalstrategie, maar als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zwaar gesubsidieerde instellingen in Nederland verliezen hun verantwoordelijkheid voor de gemeenschap uit het oog. Die instellingen vragen zich af wat de gemeenschap voor hen kan betekenen, in plaats van wat zij voor de gemeenschap kunnen betekenen.

Dat wil niet zeggen dat op de kabinetsplannen geen kritiek mogelijk is. Wat dit kabinet met zijn keuze voor enkele topinstituten doet, is een monopoliepositie creëren voor deze instituten. Tegelijkertijd zegt het tegen kleinere organisaties en nieuw talent: zoek het maar uit. Hoewel het bezigen van de kaasschaaf – het gelijkelijk korten van de diverse instellingen – laf klinkt, is het voordeel dat het de bestaande verhoudingen niet al te zeer verstoort.

Het kabinet handhaaft juist de subsidies voor de topinstituten die dankzij hun naamsbekendheid ook het best in staat moeten worden geacht om private financiering aan te boren. Daardoor dreigt de humuslaag voor nieuw talent in Nederland te verdwijnen, zeker zolang de grote culturele instellingen het niet als hun verantwoordelijkheid zien om nieuwe aanwas te leveren.

Een ander kritiekpunt is dat dit kabinet kort op de publieke financiering zonder eerst een cultuur van private financiering te hebben gecreëerd. Het model van publieke financiering kan veranderen. Dan moet de overheid de instellingen wel de middelen geven om zich aan te passen aan een model dat meer is gebaseerd op privaat kapitaal, bijvoorbeeld door het geven van belastingvoordelen, zoals in de VS. De overheid zou juist een creatieve partner moeten zijn bij het maken van de omslag van publiek naar privaat.

Jammer genoeg is Nederland opgezadeld met een kabinet dat niets meer verafschuwt dan te worden gezien als kameraad van de kunst.

Heleen Mees en Gerrit Groen zijn vicevoorzitter en voorzitter van de PvdA-afdeling New York. Dit stuk is geschreven op grond van een mede door deze afdeling georganiseerd debat tussen Nederlandse en Amerikaanse kunstexperts.