De De Vriesjes

Ik ben Joost. Joost de Vries.’

Je vergist je, dacht ik, dat ben ik namelijk, maar hij lachte er vriendelijk bij en op de achtergrond lachten mijn collega’s. Het duurde even voordat ik de link legde naar een paar mailtjes die ik vorige week had ontvangen, of ik nu ook al voor de Volkskrant schreef.

Nee, had ik geïrriteerd terug geschreven. Dat moet een andere Joost de Vries zijn.

Dit was hem dus.

Zijn studiegenote stond er naast, een mooi meisje in een MC Hammerbroek. „Wat grappig,” zei ze.

Ja, grappig, zei ik.

Ik vond het helemaal niet grappig. Ik voelde me alsof ik in Philip Roths roman Operation Shylock was beland, mijn lievelings-Roth, waarin de schrijver door vrienden wordt opgebeld met de vraag waarom hij in godsnaam in Israël lezingen geeft over het ‘diasporisme’, de overtuiging dat alleen door Israël te verlaten en zich te verspreiden, Joden trouw kunnen zijn aan hun erfgoed als minderheid. Roth springt op het vliegtuig en gaat op jacht naar de tweede Roth, die hij alleen maar kan zien als ‘Moishe Pipik’, Jiddisch voor ‘Moses Bellybutton’, een figuurtje uit kinderverhalen dat je niet serieus kunt nemen.

Mijn Pipik deed een postdoc-opleiding journalistiek die een samenwerkingsproject had met De Groene Amsterdammer, waar ik redacteur ben. Net als ik had hij geen tweede voornaam en dus had de eindredactie het fictieve initiaal M. in zijn (mijn?) naam gezet, om onduidelijkheden te voorkomen.

„Wat grappig,” zei Pipik.

Pipik zei dat hij het leuk vond me te ontmoeten, dat hij mijn roman Clausewitz in de kast had staan en het een tof boek vond.

Verdwijn, dacht ik. Houd nu op te bestaan.

Als Roth tegenover zijn Pipik staat kan hij er niet overheen dat zijn dubbelganger iets knapper is, verfijnder gezicht, subtielere neus. „It occured to me that he looked like the after to my before picture in the plastic surgeon’s advertisement.”

Mijn Joost was niet knapper dan ik. Ik vind niet snel iemand knapper dan mezelf. Hij was iets kleiner, een paar jaar jonger, maar terwijl ik tegenover hem stond, vriendelijk te lachen, werd ik me er sterk bewust van dat ik me niet geschoren had en mijn haar moest wassen. Ik voelde mezelf zweten – niet dat hij me knap moest vinden, maar hij moest op z’n minst zien dat ik het beste Joost de Vries-exemplaar was.

Dat er meer Joost de Vriesen zijn is een gegeven. Probeer maar eens een fatsoenlijk emailadres aan te maken. Maar je bent jong, je wilt wat en eigenlijk zie je iedereen van jouw leeftijd die zich op wat voor manier dan ook op jouw terrein begeeft als potentiële concurrent. En concurrentie hoort bij ambitie, maar dan moeten ze niet nog eens ook jouw naam gebruiken. Mijn naam. Problematisch.

Joost de Vries