Curiosum Wimbledon

S portleed is massaleed. Kim Clijsters haakt met een enkelprobleempje af voor Wimbledon en vervolgens lees je in Belgische kranten dat de natie alweer in weemoed de wanhoop te lijf moet gaan. Alsof het ooit anders is geweest. Wat zou de enkelblessure van het liefste huifkarmeisje met de mooiste spreidstand nog uitmaken in de algemene staat van ontbinding?

Maar zo kijk je dus niet naar een icoon als Kim Clijsters.

Jarenlang poedel van het volk, en toch magistraal aan de top van het internationale tennis. Dus niet in Rosmalen, wel op de US Open. Geridderd en gelauwerd, maar het kuiltje in de rechterwang blijft het merkteken van provinciale joie de vivre.

Soms zijn er ook puistjes.

Is haar forfait voor Wimbledon een nationale ramp? Juist niet. Kim Clijsters geeft ons het legitieme comfort van ongemak en ongeluk. Een spiegelbeeld van sterfelijkheid, zeg maar. Dat is toch wat we altijd zoeken in sport: trots en tezelfdertijd leed op niveau. Niet een machine van succes, zoals Lance Armstrong. Ook niet de amoureuze pirouettes van een patjepeeër als Wesley Sneijder. Gewoon: iedereen sterveling op mensenmaat. Juist in het verlies is Roger Federer geliefd geworden.

De charme van Kim Clijsters was altijd dat ze de ondergang een glimlach meegaf. Een traantje kon ook, maar niet dat je dacht: daar staat het inferno voor het oprapen. Eigenlijk zag je niet aan haar af dat ze nummer 1 van de wereld is geweest. En ook niet dat ze zeven huizen bij elkaar heeft gesmasht. Dat ze moeder is geworden des te meer.

Het sportleven van Clijsters is musical noch opera. Hooguit een novelle. Van succes naar blessures, en omgekeerd. Voor dat hobbelige parcours hadden Michaëlla Krajicek en Arantxa Rus met pure doodsverachting graag hun menstruaties een paar jaar on hold gezet. Helaas, het zou niet geholpen hebben.

Kim Clijsters heeft nooit de echte touch van Wimbledon in zich gehad. Ze was er te krachtig en te extatisch voor, te weinig ingekeerd. Wimbledon hoort de brug der zuchten te zijn, in het tennis. Geen gekreun, geen ostentatief misbaar. Alleen maar zwijgzame schimmen in witte rokjes aan de baseline en een enkele keer, als het niet anders kan, aan het net. Spurten is al een vloek. Een bal horen ploffen mag ook niet. Altijd dat onverbiddelijke eeuwfeest van geruisloosheid.

Is dat negentiende eeuwse nostalgie? Allicht, maar het prestige van het toernooi wordt er niet minder om. Gras blijft de noblesse van het tenniscircuit. Je moet er wel de juiste meisjes bij denken. Dus niet een steengroeve van abstracte kunst als Justine Henin. Ook niet een moederwolk à la Clijsters.

Steffi Graf, natuurlijk wel. Of Maria Sjarapova. De zusjes Williams? Iets te veel wild vlees. Wimbledon wordt gespeeld door gracieuze skeletten. Uithongering verheven tot sport. Dat offer mag je van Kim Clijsters niet meer verwachten. Lekker bloemkooltje van het circuit – die exclusieve signatuur. Maar daarom niet minder dodelijk.

Je kan wel zeggen dat Wimbledon het Royal Ascot zonder hoeden is. Maar daarmee doe je het sportieve karakter van het toernooi te kort. Het blijft een strijd op leven en dood. Althans op de baan, iets minder in de tribunes.

Nederland is allang geen tennisnatie meer, en dat is jammer. Het was aandoenlijk om ooit Daphne Dekkers op de tribune te zien zitten met de hand voor de mond, quasi beschaamd voor haar hoge kreetjes. Zij, onbestemde polderdiva, gaf haar gezandstraalde man, Richard Krajicek, exact wat hij nodig had: Wimbledon.