Brief Visser over moord in '46 moest privé blijven

De brief van Atie Ridder-Visser aan de burgemeester van Leiden over de moord die ze pleegde op ondernemer Guljé in 1946 had niet publiek mogen worden. Dat zegt de oud-verzetsstrijder in deze krant. „Het was iets tussen de familie van Guljé en mij. De rest van de wereld heeft er niets mee te maken.”

Volgens Atie Ridder-Visser sprak zij twee keer met burgemeester Lenferink over de brief. De eerste keer kwamen zij overeen dat de inhoud niet openbaar zou worden. De tweede keer zei Lenferink dat hij het aan zijn functie verplicht was openheid van zaken te geven. Ridder-Visser ging akkoord, omdat zij „niet de eisende partij was”. ’s Avonds zag zij op Teletekst haar naam staan. De brief werd wereldnieuws. Een woordvoerder van Lenferink zegt dat in het eerste gesprek niet is afgesproken dat de brief niet in de publiciteit zou komen. „Wel dat de familie van Guljé zou worden geïnformeerd.” Toen de burgemeester in het tweede gesprek over openbaarmaking sprak, zei Ridder-Visser: „Dan moet dat maar.” Zij weigert het haar verleende verzetsherdenkingskruis terug te geven vanwege de moord.

Visser betreurt moord: pagina 9