Zijlstra moet niet shoppen

„De leegte van het beleid van Zijlstra toont zich het pijnlijkst in zijn keuze om de ‘top- instellingen’ te sparen”, menen Charles Esche en Steven ten Thije van het Van Abbemuseum. Juist die instellingen vinden makkelijk mecenassen.

Als een politicus die zelf uit alles laat blijken dat hij geen verstand heeft – zelfs niet wil hebben omdat dat zijn vermeende ‘neutraliteit’ aantast – van het sociaal-maatschappelijke veld waarvoor hij verantwoordelijk is, dan is het ontoelaatbaar dat een dergelijke bewindsman vrij met adviezen van experts uit het veld omgaat. Het passeren van de Raad voor Cultuur door Halbe Zijlstra is volstrekt ontoelaatbaar en schept een gevaarlijk precedent. Natuurlijk werd de Raad niet altijd tot op de letter gevolgd, maar bij een ingreep die de totale cultuurbegroting met een kwart wil reduceren is een dergelijke vrijheid vernederend voor de Raad en daarmee vernederend voor het veld.

Als de overheid scherpe keuzes wil maken en daarbij gebruik wil maken van een gebalanceerd advies uit het veld, dan kan zij daar niet uit shoppen. De Raad biedt niet een aantal opties aan, maar een afgewogen oordeel over het geheel. Als daar het zuur uit gevist wordt om dat vervolgens met nog meer zuur onverteerbaar te maken, beschadig je de politieke verstandhouding tussen overheid en samenleving. Het zou de Kamer dan ook sieren als zij Zijlstra terug naar de tekentafel stuurt met de opmerking dat wat hier is gebeurd – wederom – te kwalificeren is als onbehoorlijk bestuur. Mocht de situatie van nu blijven bestaan, dan kan de Raad niet anders dan aftreden.

Daarbij moet de kunstsector ook de hand in eigen boezem steken. Terecht merkt NRC Handelsblad op 11 juni in haar redactioneel commentaar op dat de sector zich met ‘verpletterende braafheid’ heeft verweerd. „In plaats van zelfbewust te staan voor het belang van de kunsten voor het geestelijk, creatief en intellectueel welzijn van Nederland, benadrukten ze vooral het economisch belang van een gezond cultureel klimaat.”

Deze analyse van de NRC is pijnlijk en correct. Een culturele sector die zichzelf verdedigt tegen marktfundamentalisme door te wijze op het belang dat de sector heeft voor de markt, geeft blijk van een schrijnend gebrek aan inzicht.

Maar de tandeloosheid van de culturele sector is ook het gevolg van de sprakeloosheid die inslaat geconfronteerd met dermate paradoxaal en visieloos beleid. Het kan verpakt zijn in woorden als ‘gezond maken’, maar ik ken weinig doktors die een patiënt met een gebroken arm genezen door met een botte bijl op hem in te slaan. Dit blinde gehak op mensenlevens – want dit beleid kost honderden zo niet duizenden banen – is bijna niet te bevatten. Het is extreem, het is extremisme: een gevolg van ideologische blindheid en onverbloemde rancune van de gedoogpartner.

Zijlstra is een volbloed neo-liberaal, die tovert met het woord marktwerking. De markt in zijn vocabulaire is een magisch ding dat efficiëntie en maximalisatie van behoeftebevrediging moet brengen. En er is maar één soort behoefte en dat is smaak. Ik wil dat en als ík dat wil, dan is dat goed. Het idee dat je je soms verplaatst in een ander en je afvraagt wat een ander wil, of wat een gemeenschap zou kunnen willen is deze politicus – en onderhand de partij waartoe hij behoort – vreemd. Zou hij alleen al een vluchtige blik op de geschiedenis van de kunst hebben geworpen, dan zou hij zien dat kunst eigenlijk nooit op deze manier is beleefd en vooral niet gefinancierd. Ook in het marktwalhalla Amerika is kunst een zaak voor mecenaat en gemeenschappelijk belang. Kunst bevredigt wel een behoefte, maar het is een maatschappelijke behoefte, niet louter een persoonlijke. Kunst hoort bij een samenleving, bij het leven in een groep en de complexe sociale processen die daar bij horen. Een cultuur is niet van een eenling, maar bestaat tussen mensen. Zelfs de principiële liberaal Thorbecke begreep dit. Zijn principe zei niet ‘de markt lost het wel op’, maar dat groepen uit de samenleving moesten initiëren en de overheid moest faciliteren.

De leegte van het technocratische beleid van Zijlstra toont zich het pijnlijkst in zijn keuze om de ‘topinstellingen’ te sparen. Door obsessief vast te houden aan de wens om de bezuiniging in één keer in te voeren, moet intelligentie wijken voor kil pragmatisme. Want als er al een kans is om mecenaat te ontwikkelen, dan is het bij de topinstellingen. Door hun zichtbaarheid zijn zij bij uitstek aantrekkelijk voor grote sponsoren. Geef dergelijke instellingen een prikkel en een wortel in de vorm van belastingvoordeel voor schenkers en in afzienbare tijd kan substantieel mecenaat gerealiseerd worden. Maar zonder overgangstijd kan geen enkele culturele organisatie de klap opvangen en rest Zijlstra een kille pragmatische afweging: het opheffen van het Rijksmuseum, de Nederlandse Opera, het Nationaal Ballet krijg ik niet verkocht, dan maar niet. De visie van Zijlstra offert alle plekken waar het talent groeit waarvan die topinstellingen leven. Kortom, waar zal de volgende generatie toptalent vandaan komen? U raadt het al: uit het buitenland. Daar zal Wilders blij mee zijn.

Wat rest ons nu. Ons rest hopen dat de middenpartijen bij zinnen komen. Dat het CDA en de VVD inzien dat wat zij doen haaks staat op het beeld van Nederland dat zij willen neerzetten. Dat shoppen uit een advies de integriteit van mensen, organisaties en de overheid aantast. Dat amputeren niet hetzelfde is als genezen. Een afgehakte arm blijf je voelen, maar je krijgt hem nooit meer terug.

directeur Van Abbemuseum

onderzoeksconservator Van Abbemuseum