Wie zijn de rode bieten?

Vorige week schreef filmredacteur Peter de Bruijn in het Cultureel Supplement over culturele spinazie, naar aanleiding van een discussie tussen Amerikaanse filmcritici. Het ging om die kunstwerken die niet zo lekker zijn, maar wel reuze voedzaam: de moetjes van de criticus die bij de tijd wil blijven. De ene recensent vond dat hij al te trage en kunstzinnige films best mocht overslaan, zijn collega’s hielden hem voor dat hij niet moest zeuren, maar zijn bord moest leegeten.

Ik ben dol op spinazie (met knoflook), maar houd veel minder van rode bieten (daar is geen knoflook tegen gewassen). Eet ik wel braaf mijn bord leeg? Die vraag ging al snel over in een andere: wat zijn eigenlijk de rode bieten in de hedendaagse Nederlandse letteren? Ik kon niets bedenken. Wel een paar Vlaamse schrijvers (Johan De Boose, Bart Koubaa) die het je moeilijk maken, maar Nederlanders? Rosenboom, Grunberg, Wieringa en Thomése – het is een bord vol begrijpelijkheid. Niet slecht of oppervlakkig, maar het glijdt als een verse asperge naar binnen. De vreemdste Nederlandse roman die ik het afgelopen jaar las was Mijn ontmoeting met God en andere avonturen van Wouter Godijn, maar zijn onbegrijpelijkheid is te leuk om moeilijk te zijn. Dat telt niet.

Straks moeten we onze culturele bietjes importeren (De Welwillenden!). En dat al helemaal na afgelopen vrijdag, toen het kabinet een sproeivliegtuig vol landbouwgif leegkieperde boven onze culturele bietenvelden (en boven de pruimen, frambozen, bosbessen en alle kiemgroente).

Want bieten werken. Via via hoorde ik dat de Vlaamse auteur Bart Koubaa naar aanleiding van mijn recensie van Maria van Barcelona meende dat ik hem begreep. Dat was fijn om te horen, hoewel ik zelf tijdens het lezen van zijn boek geen moment het idee had dat ik Bart Koubaa begreep, dat er überhaupt iemand in de wereld was die Bart Koubaa begreep. Intussen genoot ik met volle teugen van de vreemde vragen die zijn boek bij mij opriep, van iets waarvan je zeker weet dat je het zelf nooit zou kunnen bedenken. Los daarvan moet je af en toe iets moeilijks lezen om niet te verleren hoe je onder de bovenlaag van een boek terecht komt: voor je het weet denk je dat de laatste boeken van P.F. Thomése echt alleen maar over pies, poep en seks gaan.

Schrijvers, blijf dus bieten telen (en knoflook), desnoods op een plaats waar de vliegtuigen van de staat niet kunnen komen.