Rancuneus en alleen loyaal aan zichzelf

Hysterisch, dwingend, kinderachtig, arrogant. Over de IJzeren Kanselier en uitvinder van de Real-politik valt weinig aardigs te melden – behalve dat hij eenheid bracht.

Jonathan Steinberg: Bismarck; a Life. Oxford University Press, 577 blz. €28,15

De nieuwe, formidabele biografie van Otto von Bismarck (1815-1898) door Jonathan Steinberg heeft een verrassend uitgangspunt. Algemeen geldt dat afstand in tijd ons de geschiedenis beter doet doorgronden, dat we de ware betekenis van handelingen en gebeurtenissen beter kunnen peilen, naarmate we het geheel beter kunnen overzien. Steinberg draait dat om. Hij zegt het in zoveel woorden: tijdgenoten vallen vaak zaken op, zien vaak dingen, die latere historici ongemerkt laten passeren. Vandaar dat hij in zijn levendige biografie van de ‘ijzeren kanselier’ ruim citeert uit brieven en dagboeken van tijdgenoten, die hun observaties – en vooral frustraties – over de even dwingende als afstandelijke persoonlijkheid van Bismarck op het moment zelf vastlegden.

Zo plaatst hij zijn Bismarck midden in het politieke gewoel, van spanning en gekonkel, van stem en tegenstem – en dat is waarschijnlijk de beste manier om hem tot leven te wekken. Zijn heerszuchtige persoonlijkheid – Steinberg heeft het over een ‘sovereign personality’ – torende boven zijn tijdgenoten uit en door zo vele ooggetuigen aan het woord te laten, krijgen de verbluffende tegenstrijdigheden in dit ongrijpbare karakter reliëf. Steeds weer stelt Steinberg vast dat Bismarck het van zijn persoonlijkheid moest hebben en niet van zijn positie: de kanselier was altijd ondergeschikt aan de Pruisische koning – en later de Duitse keizer – Willem I. In de oorlogen die door zijn toedoen werden gevoerd, eerst tegen Denemarken, toen tegen Oostenrijk en Frankrijk, moest hijzelf aan de zijlijn blijven staan: het opperbevel over de troepen lag bij de koning.

Als eerste minister kon hij geen collega’s ontslaan; hij kon ze alleen koeioneren. In zijn lange politieke loopbaan werd hij nooit gesteund door een partij met een echt grote aanhang; de meeste van zijn voorstellen moest hij er doorheen drukken ten overstaande van een reusachtige oppositie van liberalen en, toen hij die eenmaal van zich vervreemd had, aartsconservatieven.

Intimidatie

Bismarck was de uitvinder van de Realpolitik. Juist omdat hij op beslissende momenten autoriteit miste, moest hij zijn toevlucht nemen tot manipulatie en intimidatie. Daarin was hij een ongeëvenaarde meester. Steinberg windt er geen doekjes om: Bismarck kon een monster zijn. Loyaal was hij alleen aan zichzelf. Zonder blikken of blozen verraadde hij de aartsconservatieve politieke vrienden uit de Pruisische Junker-klasse die hem in het zadel hadden geholpen. Zijn overtuigingen en principes stemde hij schijnbaar onbekommerd af op het politieke moment: toen hij het volk tegen de adel wilde mobiliseren stelde hij in 1863 tot ontzetting van zijn voormalige geestverwanten voor het algemeen kiesrecht in te voeren; jaren later, in 1890, toen datzelfde volk niet zo conservatief bleek als hij gewenst had en op de katholieke middenpartij stemde, of erger, of de sociaal-democraten, deed hij zijn best het weer af te schaffen. Politiek opportuun was wat hem op dat moment het beste uitkwam.

Steinberg laat fraai zien hoe de jonge Otto von Bismarck de politiek als roeping vond; als weermiddel tegen een peilloze verveling. Het gezapige leven van landjonker – zijn familie was stevig geworteld in de Pruisische adel – boezemde hem afkeer in. Hij trouwde met een vrouw die zijn tweede keus was; het meisje waar hij hevig verliefd op was, was al getrouwd en stierf plotseling. Het politiek bedrijf bood hem een levensvervulling. Uit de biografie rijst het beeld op van een man die zichzelf qua intelligentie en visie veruit superieur waande aan de mannen met wie hij te maken kreeg, of ze nu boven of onder hem stonden; hij zag ze als pionnen op zijn persoonlijke schaakbord.

Steinberg citeert vele uitspraken waarin Bismarck het politiek bedrijf met een spel vergelijkt. Meestal het schaakspel, met Bismarck als strateeg, maar vaak ook een kansspel – politiek was voor hem vooral gokken. Toen hij, in weerwil van een heftige binnenlandse oppositie, Pruisen de oorlog tegen Oostenrijk had ingejaagd en hij als grote overwinnaar uit de strijd kwam – het uitschakelen van Oostenrijk betekende een belangrijke stap in de eenwording van Duitsland – sloeg hij met zijn vuist op zijn bureau en riep: ‘Ik heb ze allemaal verslagen! Allemaal!’ Daarmee bedoelde hij zijn internationale tegenstanders, maar vooral zijn Pruisische vijanden.

Hysterisch gedrag

Dat hij zijn grootse plannen voor Pruisen er door moest zien te krijgen bij mensen die hij als onvolkomen of inferieur beschouwde, lijkt me de oorzaak van zijn vaak hysterische gedrag. Wie hem gekrenkt had, kon op eeuwige wraak rekenen. Steinberg stelt vast dat Bismarck nooit zijn ongelijk bekende – achteraf, vooral in zijn memoires, pleitte hij zichzelf altijd vrij en schoof anderen de schuld van blunders in de schoenen. Hij loog alsof het gedrukt stond. Wanneer hij zich gefrustreerd voelde, werd hij ziek: Steinberg schrijft dat geen 19de- eeuwse politicus zo vaak en zo opzichtig zijn kwalen etaleerde. Wanneer de koning genoeg van hem had, kreeg Bismarck meteen kwalen.

Daartegenover stond zijn vaak cynische gevoel voor humor – zo bedreven als hij was in het politieke spel, hij keek er ook dwars doorheen. Geen van zijn ministers kon op zijn bewondering rekenen; een van hen vergeleek hij met een vos die je denkt tijdens de jacht doodgeschoten te hebben, maar wanneer je hem over je schouder sloeg om naar huis te brengen, ‘bijt hij je plotseling in je kont’. Zo kinderachtig als hij kon zijn, hij was ook een briljant strateeg; toen hij in 1890 door de nieuwe keizer, Willem II, aan de kant werd geschoven, had hij min of meer eigenhandig het Duitse keizerrijk tot stand gebracht.

Steinberg beschouwt, zoals vele anderen, Bismarck als een geniaal staatsman, maar ziet diens zwakheden als fataal. ‘Hij was de behendigste beoefenaar van het politiek bedrijf van de 19de eeuw, maar zijn talent had geen ander doel dan een achterhaald semi-absolutistische monarchie overeind houden en zichzelf tevreden te stellen. De middelen waren Olympisch, de doelen smakeloos en pathetisch.’

Omdat alle instituten van het nieuwe Duitse keizerrijk niets anders waren dan steunberen van Bismarcks macht, liet hij bij zijn dood in 1898 een stuurloos land achter. Steinberg sluit zich aan bij het oordeel van de beroemde socioloog Max Weber, die stelde dat Bismarck een natie achterliet ‘zonder enige politieke opvoeding en verstoken van enige politieke wil’. Het nieuwe Duitse volk wachtte gehoorzaam totdat de man aan de top de beslissingen genomen had – doordat Bismarck zijn eigen politieke machtsspel steeds had gecamoufleerd met een beroep op de koninklijke autoriteit, had hij de Duitsers geleerd ‘geduldig en fatalistisch’ te wachten op wat uit naam van de hogere machten voor hen besloten werd. Dat bleek een fatale erfenis.